Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Werktuig-kuilde. Zie Mechanica.

Werkverschaffing1 is een middel om de werkloosheid (zie aldaar) tegen te gaan. Zij kan uitgaan van den staat, van de gemeente of van particulieren. Over het nut van de werkverschaffing en de wijze, waarop zij geschiedt, heerschen verschillende meeningen. In het algemeen kan men zeggen, dat zij slechts nuttig is, wanneer er werkelijk productieve arbeid wordt verricht, niet wanneer er nutteloos werk wordt gegeven, alleen met het doel de menschen bezig te houden. Welke arbeid van overheidswege gegeven kan worden, hangt van zeer verschillende omstandigheden af. Adler noemt: arbeid in de bouwvakken, grondarbeid, straatreiniging, uitvoering van bouwwerken, spoedig te leeren arbeid, zooals het vlechten van matten, het doen produceeren van wat werkloozen noodig hebben, en het doen vervaardigen van voorwerpen, die staat of gemeente zelf kunnen gebruiken. Volgens dezen staathuishoudkundige mag de werkverschaffing alleen een tijdelijk karakter dragen, zoodat de werkman later zijn eigen werk weer uitoefenen kan; de werklooze mag alleen een vak beoefenen, dat hem de geschiktheid tot zijn eigen vak niet doet verliezen. Het verslag van het Centraal Bureau voor de Statistiek van 1907 geeft een overzicht van de instellingen tot werkverschaffing aan behoeftigen, die in dat jaar bestonden. Het aantal van dergelijke instellingen in daartoe ingerichte werkplaatsen bedroeg 42, het aantal instellingen, die het werk niet in daartoe ingerichte werkplaatsen lieten verrichten, 31.

Werkwoord of Verbum is met het nomen het belangrijkste rededeel. Het vervult in den zin de taak uit te drukken, wat van het onderwerp wordt gezegd. In de meeste talen bestaat een grammaticaal formeel verschil tusschen nominale en verbale vormen. Naar hun vorm verdeelt men de werkwoorden in wortelwoorden of primitieve werkwoorden (drinken, zitten) en afgeleide werkwoorden of derivata (dr nken, zetten). Werkwoorden, die van een nomen zijn afgeleid, noemt men denominativa (blauwen, stallen). Verder worden zij verdeeld in eenvoudige werkwoorden of verha simplicia (drinken, binden) en samengestelde werkwoorden of veria composita (verdrinken, opbinden). Naar de beteekenis onderscheidt men: transitieve of overgankelijke werkwoorden, dat zijn werkwoorden, die een direct voorwerp bij zich kunnen hebben (eten, plukken) en intransitieve of onovergankelijke werkwoorden, die alleen een indirect voorwerp of geen voorwerp bij zich hebben (gedenken, slapen). Onpersoonlijk (impersonale) zijn die, welke alleen een onbepaald onderwerp bij zich kunnen hebben (regenen, donderen). Bij de reflexieve oiwederkeerende werkwoorden zijn onderwerp en voorwerp dezelfde persoon. Frequentatieve of iteratieve werkwoorden drukken een herhaalde werking uit, inchoatieven het begin van een werking, intensieven een versterkte werking, causatieven of factitieven het veroorzaken van een werking. In verband met den tijd, de wijze en den persoon, waarop het werkwoord betrekking heeft, krijgt het verschillende vormen, m. a. w. het wordt vervoegd of geconjugeerd. Al de verschillende vormen van een werkwoord kunnen op een grondvorm teruggebracht worden, deze grondvorm heet de verbale stam. Naast het vervoegde of finiete werkwoord, staan de zoogenaamde

infiniete vormen, dat zijn die van den verbalen stam afgeleide vormen, die èf geheel als substantieven of adjectieven verbogen worden, öf volgens hun ontstaan en beteekenis eigenlijk tot de substantieven behooren, zooals de participiën en de infinitief. Ook het gerundium, het gerundivum, het snpinum en de absolute vormen van sommige talen behooren hiertoe. In de oudere Indo-Germaansche talen was het finiete werkwoord veel rijker aan vormen dan in de jongere, dit verlies aan vormen werd op verschillende wijzen vergoed, o. a. door het ontstaan van hulpwerkwoorden, door het ontstaan van nieuwe vormen enz. Het Oud-Indisch enhetGrieksch hebben het oorspronkelijke verbale stelsel het zuiverst bewaard.

Werlhoffsche ziekte is een andere naam voor Bloedvlekkenziekte. Zie aldaar.

Wermeskerken, geboren Junius, Sophie Margarethe Cornelia van, den23stenrNovemberl853te Tiel geboren, wijdde zich aan letterkundige studie en was jaren lang redactrice van de „Hoüandsche Lelie." Van haar romans hebben „Het Hollandsch Binnenhuisje" en „Tom en ik" veel opganggemaakt. Zij was een der eersten, die zich los maakten van het stijve en conventioneele, dat onze romans van dien tijd kenmerkte. Na een leven vol lijden, beproeving en teleurstelling overleed zij te Utrecht in 1904, juist 51 jaar oud.

Wermland of Wermeland is de naam van een Zweedsch gewest ten noorden van het Wenermeer, aan de grenzen van Noorwegen. Het bestaat uit onderscheiden dalen, die van het hooggebergte en den Zweedschen landrug allengs naderen tot genoemd meer. Van die dalen is het door de Klara-elf besproeide Elfvedal het langste, hierop volgt het Fryksdal, waarin de drie onderling verbonden Frykenmeren gelegen zijn, die door stoombooten bevaren worden. Het zuidelijk gedeelte van Wermland, langs het Wenermeer, is vlak en vruchtbaar, het overige veel grootere gedeelte van het land is bergachtig en met bosschen bedekt, welke in het noorden een door Finnen bewoonde woudstreek vormen. De wouden nemen 77,7 %, bouwland en tuinen 11,7 % en weiden 2,6 % van de oppervlakte in. Het oostelijk gedeelte van dit gewest, vooral de omstreken van Philipstad, bezit een onuitputtelijken rijkdom aan ijzer, dientengevolge vele mijnen. Tot bevordering van het verkeer zijn de talrijke meren onderling en met het Wenermeer door kanalen en korte spoorwegen verbonden, daarenboven doorsnijdt de spoorweg van Christiania naar het zuiden van Zweden dit gewest. Het evenzoo genoemde lan omvat het geheele landschap met uitzondering van het mijndistrikt Karlskoga, dat tot örebrolan behoort, en telt op 19 324 v. km. (1906) 255 464 inwoners. De hoofdplaats is Karlstad.

Wermouth. Zie Vermouth.

Werndly, George Henric, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Zurich in 1694, vertrok in 1717 van Rotterdam naar Nederlandsch Oost-Indië, werd aanvankelijk predikant te Padang, doch vertoefde van 1723—1729 te Batavia om den Maleischen Bijbel, begonnen door Leydekker, te voltooien. Hij begaf zich in 1729 naar Nederland om deze vertaling en de door hem geschreven Maleische spraakkunst (verschenen in 1736) uit te geven. In 1737 werd hij hoogleeraar in de Oostersche talen aan de hoogeschool te Lingen, vertrok vervolgens weder

Sluiten