Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Indië en overleed in 1744 te Batavia. Hij was , een van de grondleggers van de Maleische taalstudie, i Werndly, Thomaê Johannes, een Neder- t landsch dichter, geboren te Deventer den lBlen Ja- i nuari 1830, woonde zonder betrekking te Zutfen 1 en overleed den 228ten Maart 1868. Hij schreef zon- j der naam of order het pseudoniem Didymvz: „De . markies van Posa", treurspel in vijf bedrijven , (1862), „Stemmen uit Nederland ten behoeve der < betrekkingen van de bij de Denen gesneuvelde of ( zwaar verminkte ondergeschikte manschappen" i (1864), „Een blik op iets van nationaal belang; een handvol op- en aanmerkingen met betrekking 1 tot het ontwerp der spelling voor het aanstaande Nederlandsch Woordenboek" (1865). Ook leverde hij bijdragen in verschillende jaarboekjes.

Werner, Abraham Gottlob, een Duitsch delfstofkundige en geoloog, geboren den 25sten September 1750 te Wehrau in de Oberlausitz, bezocht de mijnbouwacademie te Freiberg, studeerde te Leipzig eerst in de rechten en vervolgens in de natuurlijke historie, inzonderheid in de delfstofkunde, en werd in 1775 inspecteur en leeraar in de delfstofkunde aan de mijnbouwacademie te Freiberg. Hier scheidde hij al dadelijk de lessen over den mijnbouw van die over de delfstofkunde, verder scheidde hij laatstgenoemde wetenschap van de geognosie, van welke wetenschap hij de grondlegger was. Ook de ijzersmelterij verhief hij tot een wetenschap. Hij overleed te Dresden den 30s,cn Juni 1817. Zijn mineralogisch stelsel beeft weliswaar voor een meer wetenschappelijke behandeling plaats gemaakt, zijn leer der kenmerken en zijn beschrijving der delfstoffen hebben echter een blijvende waarde. Werner vestigde zijn geognosie op waarnemingen en verhief haar tot een ervaringswetenschap. Hij was een overtuigd aanhanger van het Nep tunisme(zie aldaar). Behalve een groot aantal opstellen in tijdschriften schreef Werner-. „Über die auszern Kennzeichen der Fossilien"(1764), „Kurze Klassifikationund Beschreibun" der Gebirgsarten" (1787), „Neue Theorie über die Entstehung der Gange" (1791) en „Verzeichnis des Mineralienkabinets des Berghauptmanns Pabst von Ohain" (2 dln., 1791—1792) Zijn leven werd beschreven door Frisch (1825) en door Confligiachi (1827). In 1850 werd te Freiberg een gedenkteeken voor hem opgericht.

Werner, Zacharias, een Duitsch dichter, geboren te Koningsbergen in Pruisen den 18aen November 1768, studeerde in zijn geboortestad in de rechten en bezocht tevens de lessen van Kant. Zijn „Vermischte Gedichte" (1788) vonden weinig bijval. Nadat hij van een reis over Berlijn naar Dresden was teruggekeerd, aanvaardde hij het ambt van kamersecretaris in Zuid-Pruisen, bekleedde deze betrekking op verschillende andere plaatsen in de nieuwe Poolsche provincies en was vervolgens als zoodanig te Warschau werkzaam. Gedurende zijn verblijf te Warschau trad hij tot driemaal toe in het huwelijk, de eerste twee echtverbintenissen werden na korten tijd weder ontbonden. Hij werd aldaar bekend met Mnioch, Hoffmann en Eitzig, voegde zich bij de orde der Vrijmetselaars en schreef het drama: „Die Söhne des Tals" (2 dl, 1803—1804). Daarna vertrok hij met zijn derde vrouw naar Koningsbergen om zijn moeder, die aan verstandsverbijstering leed te verplegen, keerde daarop naar Warschau terug, voltooide het eerste deel van het treurspel:

1UJ uiw i-ij" — 1 •• V

gen om zijn moeder, die aan verstandsverbijstering

„Das Kreuz an der Ostsee" en vertrok vervolgens naar Berlijn, waar zijn begunstiger, minister Schrotter hem een betrekking bezorgd had, die hem gelegenheid gaf zich aap de dichtkunst te wijden. Hier verkeerde hij met Fichte, Schadow, Joh. von Muller, Iffland en Schlegel en vooral met de toonkunstenares Bethmann-Unzelniann en schreef het treurspel:' „Martin Luther oder die Weihe der Kraft" (1807 gedrukt), dat in 1806 aldaar werd opgevoerd. Nadat hij ook van zijn derde vrouw gescheiden was, deed hij in den zomer van 1807 een reis langs den Rijn en begaf zich vervolgens naar Weimar, waar hij meermalen in aanraking kwam met Goethe, die zijn romantisch treurspel: „Wanda" in Januari 1808 deed opvoeren. Nadat hij in het volgend voorjaar naar Berlijn was teruggekeerd, aanvaardde hij reeds in den zomer een nieuwe reis, kwam in Zwitserland in kennis met madame de Stael, vertoefde eenigen tijd als gast op Coppet en begaf zich vervolgens over Parijs nogmaals naar Weimar, waar hij zijn noodlotsdrama: „Der 24. Februar", op den Gemmi vervaardigd, doch eerst in 1815 gedrukt, aan Goethe aanbood, wiens oordeel over dit werk niet gunstig was. Inmiddels was in 1808 zijn treurspel: „Attila" verschenen. Nadat hij weder eenige maanden op Coppet vertoefd had, vertrok Werner naar Rome, waar hij tot in Juli 1813 bleef en het R. Katholiek geloof omhelsde. In den zomer van 1814 werd hij te Aschaffenburg tot priester gewijd en vestigde zich daarop te Weenen. Gedurende het Congres en later trad hij er dikwijls als prediker op, en zijn zonderlinge persoonlijkheid lokte een groot aantal hoorders. Sedert het voorjaar van 1816 vertoefde hij geruimen tijd in Podolië, in het gezin van graaf Choloniewski en werd daarna tot eere-domheer van het kapittel der hoofdkerk te Kamenez benoemd. Sedert 1819 woonde hij te Weenen. Door zijn „Weihe der Unkraft" had hij in 1813 zijn afval van het Protestantisme openlijk aangekondigd, daarna schreef hij nog de grootere werken: „Kimigunde die Heilige" (1815) en het treurspel: „Die Mutter der Makkabaer" (1820), zijn laatste werk. Reeds in het najaar van 1821 was hij ongesteld, maar hij bleef zijn prediking voortzetten. Zijn voornemen, om in de Orde der Redemptoristen te treden, liet hij, ofschoon hij reeds het ordekleed had aangenomen, plotseling varen. Hij overleed te Weenen den 17a<,n Januari ■ 1823. Zijn „Ausgewahlte Schriften" verschenen in : 1841 in 13 deelen, daarbij als dl. 14 en 15: „Zacharias Werners Biographie und Charakteristik nebst . Originalmitteilungen aus dessen Tagebüchern'" i (1841).

i Werner, Hemrich Gottfried Haasloop, een Ne; derlandsch oudheidkundige, geboren te Kleef den ) 16den April 1792, werd tijdens de Fransche over5 heersching tot den krijgsdienst gedwongen, klom ï in 1816 op tot tweeden luitenant, in 1836 tot kapit tein, ontving de Militaire Willemsorde, kreeg in ï 1842 pensioen en vestigde zich op het landgoed de r Hare bij Elburg, waar hij den 298ten September 1864 ï overleed. Hij leverde belangrijke afbeeldingen en : beschrijvingen van oude gebouwen, kerken, klok% ken, handschriften, zegels, wapens, muurschilderin- gen, kleederdrachten enz. Vooral leverde bij tal* rijke bijdragen in den Gelderschen Volksalmanak, ï alsmede in verschillende tijdschriften, en schreef

, 1 TT.l 11 f-*C) AC. i.

| o. a.: „Wandelingen over ae veiuwe vio*u> met

Sluiten