Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groote in zijn bibliotheek te Sanssouci", „Marke- ï tentster tusschen de regimenten Dessau en Bay- 1 reuth", „De natuuronderzoeker", „Lessing's woon- 1 huis te Wolfenbüttel", „Straat te Amsterdam", i „Vorst Bismarck op den terugweg van de Rijks- 1 dagzitting van den 6den Februari 1888", „Capella Palatina te Palermo" en „De bibliothecaris". Hij i overleed den 1 Gden April 1908 te Berlijn.

Werner, Anton von, een Duitsch schilder, ge- i boren te Frankfort aau de Oder den 9df,n Mei 1843, i bezocht de academie te Berlijn en begaf zich ververvolgens naar Karlsruhe, waar hij bij Lessing en ■ Schrödter studeerde en aanvankelijk als illustrator werkzaam was. In 1864 verschenen zijn illustraties bij „Frau Aventiure" van Scheffél. In 1866 volgden die bij „Juniperus", in 1867 die bij „Gaudeamus", in 1868 die bij de „Bergpsalmen" en in 1869 die bij den „Trompeter von Sackingen", die door hun fijn gevoel en gezonden humor veel bijval vonden. Tegelijkertijd schilderde hij een aantal genrestukken en historische tafereelen, zooals „Luther voor Cajetanus", „Conradijn in de gevangenis", „Hanno van Keulen ontvoert Hendrik IV" en „Cötz von Berlichingen." In 1867 bezocht hij Parijs, van 1868 —1869 Italië. Hij kreeg in 1870 verlof het laatste deel van den Fransch-Duitschen oorlog mee te maken, waarvan hij een aantal studies maakte. In 1871 schilderde hij het velarium „Strijd en overwinning" voor den intocht van de zegevierende troepen in Berlijn, vervolgens kreeg hij de opdracht een versiering voor de zuil der overwinning te Berlijn te vervaardigen. In 1875 werd hij directeur van de academie \ oor beeldende kunsten te Berlijn. Van de werken, die hij naar in 1870—1871 gemaakte studies vervaardigde, noemen wij nog: „Moltke in zijn studeervertrek te Versailles", „Moltke voor Parijs", „De keizerlijke proclamatie te Versailles" (1876), „Keizer Wilhelm I in het mausoleum te Charlottenburg", „Panorama \an den Slag bij Sedan" (met anderen), „Generaal Reille brengt Napoleons brief over", „De onderhandelingen te Donchéry", „Bismarck en Napoleon", „De kroonprins bij het lijk van generaal Douay" (1891) en „In het étapekwartier te Parijs" (1894). Verder schilderde hij o. a.: „Het einde van de Conferentie te Berlijn", „Luther op een familiefeest", „De kroning van Frederik I te Koningsbergen", „De 90ste verjaardag van keizer Wilhelm I", „De dood van keizer Wilhelm I", „De opening van den Duitschen Rijksdag den IS"™ Juni 1889", „De kroonprins op het hofbal" (1895) en „De gelukwensch van keizer Wilhelm II aan Moltke op zijn 908ten verjaardag"(1896). Hij schreef: „Geschichte der königlichen akaaemischen Hochschule für die bildenden Künste in Berlin" (1896) en „Ansprachen und Reden an die Studierenden" (1896).

Werner, Eichard Maria, een Duitsch literatuurhistoricus, geboren den 14den Augustus 1854 te Iglau, studeerde te Weenen, Straatsburg en Berlijn in de Germaansche wetenschappen en de klassieke oudheidkunde, vestigde zich in 1878 als privaatdocent in de Duitsche taal- en letterkunde te Graz en werd in 1883 tot buitengewoon en in 1886 tot gewoon hoogleeraar benoemd te Lemberg. Hij maakte zich vooral verdienstelijk door zijn onderzoekingen over Heblel, van wiens „Samtliche Werke" (12 dln., 1900—1903), „Tagebiicher" (4 dln., 1903) en „Briefe" (8 dln., 1904- 1907) hij een critische uitgave be¬

zorgde, waaraan hij een belangrijke levensbeschrijving „Hebbel" (dl. 47 en 48 van de reeks „Geisteshelden", 1905) toevoegde. Van zijn verdere werken noemen wij:„Ludwig Philipp Hahn, ein Beitrag zur Geschichte der Sturm-und Drangzeit" (1876), „Die Basler Bearbeitung von Lamprechts Alexander untersucht" (1879 en later), „Lessings Emilia Galotti, nebst einem Anhang: Die dreiaktige Bearbeitung" (1882), „Der Wiener Hanswurst. Stranitzkys und seiner Nachfolger ausgewahlte Schriften" (2 dln., 1883—1886), „Goethe und Grafin O' Donell, ungedruckte Briefe nebst dichterischen Beilagen" (1884), „Bürgers Ausgewahlte Werke" (3ae druk, 2 dln., 1898), „Aus dem Josephinischen Wien. Geblers und Nicolais Briefwechsel 1771—1786" (1888), „Julius von Tarent und die dramatischen Fragmente von Johann Anton Leisewitz" (1889), „Lvrik und Lyriker, eine Untersuchung" (1890), „Der Laufner Don Juan, ein Beitrag zur Geschichte des Volksscltauspiels" (1891), „Betty Paoli" (1898) en „Vollendete und ringende Dichter und Dichtunge/i der Neuzeit geschildert" (1900).

Wernicke, Wemigke of Warneck, Cliristian, een Duitsch schrijver van puntdichten, geboren te Elbing in Januari 1661, Vas eerst secretaris bij verschillende gezantschappen, begaf zich na herhaalde reizen door Frankrijk en de Nederlanden naar Londen, doch keerde weldra terug naar Hamburg, waar hij zich bij zijn studiën bepaalde, totdat de koning van Denemarken hem tot Deensch staatsraad en tot resident aan het Fransche Hof benoemde. Hij overleed te Parijs den 6den September 1725. Zijn ,,Epigramme oder Ueberschriften" (Amsterdam, 1697 en later) onderscheiden zich, door vrijmoedigheid van denkbeelden en zuiverheid van stijl, zeer van den bombast der 17de eeuw. Hij had het vooral op de Fransche zeden en de verkeerdheden der school van Lohenstein gemunt. Daardoor ontstond tusschen hem en eenige aanhangers van laatstgenoemde, vooral de operadichters Postel en Hunold te Hamburg, een hevige strijd, die aanleiding gaf tot het ontstaan van Wernicke's komisch heldendicht „Hans Sachs" (1702), gemunt op Poslel. Wernicke''s „Gedichte" verschenen te Hamburg in 1704.

Wernicke, Alexander, een Duitsch geleerde, geboren den 3aen Januari 1857 te Görlitz, studeerde te Ileidelberg, Berlijn en Göitingen in de wis- en natuurkunde, vestigde zich in 1881 als privaatdocent aan de technische hoogeschool te Brunswijk en werd hier in 1890 tot buitengewoon en in 1891 tot gewoon hoogleeraai in de toegepaste mechanica benoemd. Tegelijkertijd was hij" leeraar aan het gymnasium, terwijl hij in 1894 tot directeur der hoogere burgerschool benoemd werd. Bovendien nam hij een levendig aandeel in de werkzaamheden van de

• Vereeniging voor het handelsonderwijs en in de or! ganisatie van handelsscholen in het hertogdom i Brunswijk. In de wijsbegeerte, welke hij van 1881— ; 1894 aan de hoogeschool doceerde, sloot hij zich ■ meer en meer aan bij W. Wundt. Van zijn hand l verschenen: „Ueber Gleichgewichtslagen^schwim-

• mender Körper und Schwerpunktsflachen" (1879), i „Die Religion des Gewissens als Zukunftsideal" ï (1880), „Grundzüge der Elementarmechanik" , (1883), „Goniometrie und Trigonometrie" (1888)

- en „Kultur und Schule" (1896). Bovendien schreef

- hij een reeks universitaire redevoeringen en voor-

Sluiten