Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de Nederlandscho marine wordt hoofdzakelijk door wervinï aangevuld. Grondslag voor het geheele legerstelsel vormt de werving alleen nog in Engeland en Amerika. Hier worden echter alleen inwoners toegelaten. De werving voor vreemde legers zonder toestemming van de regeering van het land, waarin zij plaats vindt, is thans strafbaar.

Wesenbeeck, Jacób, een Nederlandsch staatsman, bekleedde (in het midden der 16de eeuw het aanzienlijk ambt van raad en pensionaris van Antwerpen en werd in 1563 afgevaardigd naar den koning van Spanje, om aan dezen van den staat van zaken met betrekking tot den godsdienst inlichtingen te geven. Hij deed al het mogelijke om de beeldenstormerij te keer te gaan en hield ten tijdeder ergste vervolging briefwisseling met den prins van Oranje. Deze benoemde hem in 1572 tot Commissaris van het krijgsvolk. Hij leverde: „De beschrijving van de geschiedenissen in de religiezaken, toegedragen in de Nederlanden van den jare 1500 tot 1566" (1569), ook in het Fransch vertaald en voor de tweede maal gedrukt onder den titel: „Beschrijvinge van den staat en voortgang der religie in Nederland enz." (1616), alsmede: „La défence de Jacqnes de Wesenbeke, jadis conseiller et pensionnairo de la ville d'Anvers etc" (1659), welke boeken thans zeer zeldzaam zijn. Ook eenige andere werken worden aan hem toegeschreven.

Wesley, John, de stichter van het kerkgenootschap der Methodisten, geboren den 17del1 Juni 1703 te Epworth in het Engelsche graafschap Lincoln, studeerde te Oxford in de godgeleerdheid en werd in 1725 tot diaconus gewijd. In 1729 stichtte hij met zijn broeder Charles (geborendenl8dellDecember 1707, f den 298ten Maart 1788) en 15 studenten der universiteit te Oxford een godsdienstige vereeniging, wier leden den spotnaam Methodisten (zie aldaar) ontvingen. Nadat hij korten tijd in Noord-Amerika had vertoefd, stichtte Wesley in 1739, naar het voorbeeld van de broedergemeenten Fetterlane te Londen en andere dergelijke instellingen, een gemeenschap, wier aanvankelijk verbond met de Hernhutters weldra verbroken werd,alsmede dat met Wesley's vroegeren medestander Whitefield, die de gestrenge voorbeschikkingsleer wilde gehandhaafd zien. Wesley bezocht ieder jaar alle gemeenten der Methodisten in Engeland Schotland en Ierland, wier leden Wesleyanen werden genoemd, en men zegt, dat hij nagenoeg 40 000 leerredenen heeft uitgesproken. Hij overleed den 2deD Maart 1791. Zijn geschriften, in meer dan 100 deelen vervat en van zeer verschillenden inhoud, zijn meestal bewerkingen van boeken van anderen van het standpunt van zijn partij. Zijn ascetische en historische geschriften verschenen in 1873, verzameld in 14 deelen.

Wesleyan Methodists Association. Zie Methodisten.

Wesm. is bij namen van dieren de afkorting voor Const. Wesmael, een Belgisch entomoloog, geboren in 1798 en overleden als hoogleeraar te Brussel in 1872.

Wespen (Vespida) is de naam van een insektenfamilie uit de orde der Vliesvleugeligen (Hymenoptera), verwant aan die der Bijen, maar met een slanker, nagenoeg onbehaard, zwart en meestal geel, ook wit gevlekt lichaam, geknikte sprieten, niervormige oogen, duidelijke bij-oogen en voorvleugels, die zóó geplooid kunnen worden, dat zij in den toestand

van rust de achtervleugels gedeeltelijk beschermen en zich langs de zijden van het achterlijf leggen zonder dat te bedekken. De wijfjes zijn voorzien van een angel. Zij voeden zich met zoete sappen, die zij met de korte tong tot zich nemen, maar onderhouden de larven met insekten. Men verdeelt de wespen, die vooral op den warmen aardgordel gevonden worden, in drie groepen: die der woekerwespen (Masaridoe), van welke slechts twee soorten in het zuiden van Europa voorkomen, — die der muurwespm (Eumenidae, Silitariaë), bestaande uit mannetjes en wijfjes, van welke deze laatste cellen bauwen in leemen wanden, — en papierwespen (Vespidae, Polistidae), bestaande uit mannetjes, wijfjes en werkwespen, in maatschappijen levende. De muurwesp (Odynerus parieium L.) is 6,5—13 mm lang, aan de achterlijfringen en 'aan den voorrand van het borststuk geel gestreept, aan den kop geel gevlekt en ook geel aan de achterste helft van de dijen. Zij vertoont zich tegen het einde van Mei, graaft in het leem van den wand een gang ter diepte van 10 cm en vormt van kluitjes leem met speeksel een nederwaarts hellende buis als ingang tot haar woning. Daarin brengt zij larven, die zij met haar angel machteloos maakt, maar niet doodt, legt voorts in haar woning een ei en sluit den toegang met leem af. De larve, uit dat ei gekomen, gebruikt het daar aanwezige voedsel, is in 3 weken volwassen, blijft den winter in een bruin spinsel over en verbreekt de pop in Mei. De gezellig levende wespen bouwen papierachtige nesten, die zij door een hulsel omsluiten. Het geslacht Vespa omvat eenige soorten, welke ook in ons land gevonden worden, zooals de gewone wesp (F. vulgaris L.), die citroengeel is en in holle boomen, onder daken, in oude wallen enz. haar nesten bouwt, —• en de horzel of hoornaar (F. crabro L), 22—26 mm lang, zwart met roestrooden kop, een rood geteekend borststuk en een bruinachtig achterlijf met geelgerande ringen, Het wijfje, dat ergens overwintert, maakt in Mei een aanvang met het bouwen van een nest aan een balk, in een hollen boom enz. en bezigt groene boomschors tot bouwstof. Het vervaardigt zeshoekige, naar onder geopende cellen en tevens een algemeen omhulsel. Daarop legt zij in iedere cel een ei en brengt na verloop van 5 dagen brij van gekauwde insekten aan de uitkomende larven. Negen dagen daarna zijn deze volwassen, dan sluiten zij iedere cel met een halfbolvormig spinsel, omgeven zich met een glasachtig weefsel en verpoppen zich. Na 14 dagen komt het jonge dier te voorschijn. Het eerst verschijnen de werkwespen, die zich ijverig bezig houden met den bouw van het nest, dat wel eens een omvang verkrijgt van 1/2 m. In den herfst vertoonen zich ook mannetjes en vruchtbare wijfjes en na de paring sterft de geheele wespenmaatschappij met uitzondering van het wijfje, dat ergens op een beschermde plaats den winter doorbrengt. Andere soorten bouwen haar nesten in den grond en nog andere, zooals de boschwesp (F. Sylvestris Scop.), in het loof van boomen en heesters. Deze nesten bestaan uit een papierachtige massa, uit verweerd hout vervaardigd; zij zijn eivormig, bevatten onderscheiden verdiepingen en aan de zijde van het onderste gedeelte van het omhulsel een vlieggat. De Fransche papierwesp (Palistes Gallicus L.) is 13 mm lang, zwart met gele vlekken, bewoont het zuiden van Europa en Duitschland en bouwt in een bosch of aan een muuruitstek een nest van weinige cellen, die ten

Sluiten