Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste een roset vormen. Het is gebleken, dat bij deze soort de mannetjes, evenals bij de bijen, door parthenogenesis uit onbevruchte eieren ontstaan.

Wespendief of TVespenbuizerd. Zie Buizerd.

Wesselenyi, Nikolaas, baron, een van de aanvoerders van de oppositie in Hongarije en Zevenburgen in de jaren 1825—1840, werd geboren omstreeks 1797 te Zsibo in Hongarije, voerde reeds in 1809 bevel over een kleine afdeeling der opstandelingen en nam daarop in het Oostenrijksche leger deel aan de laatste veldtocht tegen Napoleon I. Met Szechênyi deed hij een reis naar Engeland en Frankrijk. Van 1830—1833 had hij zitting in het Hoogerhuis van Hongarije, waar hij door zijn welsprekendheid alle andere redenaars overtrof, en was in 1834 lid van den Landdag te Klaasenburg. Zijn in 1833 verschenen boek „Balitéletek" werd verboden. Hij bevorderde met kracht de verspreiding van het door Kossuth uitgegeven, gesteendrukt dagblad. Tengevolge hiervan en van het houden van een redevoering werd hij in den zomer van 1837 tegelijk met Kossuth in hechtenis genomen en tot vierjarige gevangenisstraf veroordeeld, welke hij te Ofen onderging. Inden kerker werd hij bijna blind, ontving door tusschenkomst van Deak verlpf zich naar Grafenberg te begeven, doch verloor hier zijn gezichtsvermogen geheel en begaf zich naar zijn kasteel te Zsibo. Hij overleed te Pest den 218ten April 1850. In 1902 werd te Zilah een gedenkteeken voor hem opgericht. Een relief, aan de Franciscaner kerk te Boeda-Pest aangebracht, herinnert aan het feit, dat hij bij een overstrooming honderden het leven redde.

Wessel Gansfort. Zie Gansfort.

Wesseling-, Petrus, een Nederlandse!» letterkundige, geboren te Steinfurt den 7den Januari 1692, studeerde te Leiden en te Franeker in de letteren en in de godgeleerdheid en legde zich inzonderheid toe op de oude talen en oudheidkunde. Nadat hij eenigen tijd conrector was geweest te Middelburg, werd hij in 1723 hoogleeraar in de geschiedenis en welsprekendheid te Franeker en in 1735 hoogleeraar in genoemde vakken en in het Grieksch te Utrecht, waar hij in 1746 tevens voorlezingen hield over het Romeinsch-Germaansch recht en het natuurrecht. Hij overleed aldaar den 19den November 1764. Van zijn geschriften vermelden wij: „Vetera Romanorum itineraria" (1735), „Observationes variae" (1727 en 1832), ,,Probabilia" (1731), „Diatribe de Judaeorum archaeologie" (1738) en „Epistola de Aquilae fragmentis" (1748). Verder leverde hij uitgaven van Diodorus Siculus (2 dln., 1745) en van Herodotus (1758). Ook bezorgde hij verbeterde uitgaven van de „Leges Atticae" (1741) en van „Simsonii Chronicon" (1752).

Wesselius, Johannes, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Emden den 288tett October 1671, studeerde te Groningen in de godgeleerdheid en werd achtereenvolgens predikant te Akkrum en Ter Horne, St. Jacobi Parochie, Purmerend en Rotterdam, verkreeg in 1699 den rang van doctor in de theologie en werd eerst professor in laatstgenoemde stad en in 1711 te Leiden, waar hij het volgende jaar zijn ambt aanvaardde. Nadat hij er eerst de kerkelijke geschiedenis onderwezen had, werden hem in 1738 ook de lessen opgedragen in de gewijde welsprekendheid. In 1742 vierde hij het gedachtenisfeest van zijn 50-jarige evangeMeverkondiging.

Hij overleed den 16den Januari 1745. Hij gaf onderscheiden leerredenen, orationes en verhandelingen in het licht.

Wessenberg--Ampring-en, Johann Philipp, vrijheer von, een Oostenrijksch staatsman, geboren te Dresden den 283ten November 1773, studeerde te Freiburg en te Straatsburg, trad in 1797 in Oostenrijkschen staatsdienst en werd in 1803 minister-resident te Frankfort, in 1808 gezant te Berlijn en in 1811 te München. Hij sloot in 1813 het verbond tusschen Oostenrijk en Engeland en werkte mede tot het sluiten van den Eersten en Tweeden Vrede van Parijs en aan de onderhandelingen van het Congres te Weenen en was lid der Centrale Commissie tot organisatie der nieuwe door Oostenrijk verkregen gewesten. Afkeerig van het stelsel van Meltemich, keerde hij tot het ambteloos leven terug, waarop hij na de Juli-omwenteling van 1830 tot gezant aan het Nederlandsche Hof werd benoemd. In die betrekking nam hij deel aan de Conferer.tiën te Londen over de zaken van Nederland en België. In Mei 1848 werd hij teruggeroepen naar Weenen en belastte zich in Juli met het voorzitterschap in het Kabinet en met de portefeuille van Buitenlandsche Zaken en van het Keizerlijk Huis. Na de Octoberomwenteling volgde hij den keizer naar Olmütz, maar legde reeds den 21aten November zijn betrekkingen neer en begaf zich naar zijn goederen. Hij overleed te Freiburg in de Breisgau den lBten Augustus 1858. Zijn „Briefe aus den Jahren 1848—1858 an Isfordiiik-Kostnitz, österreichischen Legationsrat" verschenen in 1877 in 2 deelen.

Wessenberg, Ignaz Heinrich Karl, vrijheer von, een R. Katholiek godgeleerde, een broeder van den voorgaande, geboren te Dresden den 4den November 1774, studeerde te Dillingen, Würzburg en Weenen en werd in 1798 domheer te Konstanz en door den invloed van Dalberg in 1802 vicaris-generaal van dat bisdom. Aldaar ijverde hij o. a. voor een verbeterde opleiding van jonge geestelijken, waartoe hij het seminarium te Meersburg stichtte, verder voor de verbetering van het onderwijs, de invoering van de Duitsche taal in de liturgie en het Duitsche kerkgezang, voor de vermindering van het aantal feestdagen enz. Toen hij deswege door den ultramontaanschen pauselijken nuntius te Lüzern werd verdacht gemaakt, zag hij zich in de betrekking van coadjutor in het bisdom Konstanz, waartoe hij door bemiddeling van Dalberg benoemd was, niet bevestigd door den paus. Toen na den dood van Dalberg de leden van het kapittel hem tot plaatsvervanger van den bisschop gekozen hadden, wraakte de paus door een breve van den 15rten Maart deze keus. Om zich te verantwoorden, reisde Wessenberg naar Rome, zonder echter zijn oogmerk te bereiken. Nadat, ten gevolge van de stichting vandeBovenRijnsche Kerkelijke Provincie, in 1827 het bisdom Konstanz was opgeheven, leefde Wessenberg aldaar ambteloos, doch bleef werkzaam als afgevaardigde naar de Eerste Kamer in Baden (1819—1833), als schrijver, als weldoener der armen en als beschermer van jeugdige kunstenaars. Hij overleed den 9den Augustus 1860. Van zijn geschriften noemen wij: „Die Elementarbildung des Volks" (1814, 2dc druk 1835), „Deutsche Kirche" (anoniem, 1815, 2de druk, onder den titel „Betrachtung über die Verhaltnisse der katholischen Kirche im Umfang des

Sluiten