Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deutschen Bundes" 1818), „Die Bergpredigt Christi" (1830, 6de druk, 1861), „Die christlichen Bilder" (2 dln., 1827), „Die groszen Kirchenversammlungen des 15. und 16. Jahrhunderts in Beziehung auf Kirchenverbesserung" (4dln., 1840), „Gott und die Welt" (2 dln., 1857) en„ Die Eintracht zwischen Kirche und Staat" (1869). Zijn „Samtliche Dichtungen'Verschenen van 1834—1854 in 7 deelen.

Wessex (West-Saksen), een der zeven Angelsaksische rijken, strekte zich uit over de hedendaagsche landschappen Cornwall, Devon, Dorset, Wilts, Berks, Hents, het eiland Wight en Surrey. De stichter van dat rijk was volgens de sage Cerdic, die in 519 den titel koning van Wessex zou hebben aangenomen. Dit koninkrijk werd allengs zóó machtig, dat het na 815 onder koning Egbert zijn heerschappij uitstrekte over bijna alle aangrenzende koninkrijken. Zie Angel-Saksen.

W essobrunn, een dorp in het Beiersche distrikt Opper-Beieren, bezit een Roomsch-Katholieke kerk en telt (1905) 581 inwoners. De beroemde Benedictijner abdij, die aldaar in 753 was gesticht, werd in 1803 opgeheven. Van 955 tot 1055 was zij in het bezit der Augustijnen, waarna keizer Hendrik IV haar weer overgaf aan de Benedictijnen. De kloosterbibliotheek, thans met haar talrijke handschriften naar München overgebracht, bevat het oud-Duitsche „Wessobrunner Gebet" uit de tweede helft der 8Bte eeuw. Het werd door Wackernagel (1827), Von Müllenhoff (3de druk, 1892) uitgegeven. Het is vervat in allittereerende verzen en met ruwe, vluchtige, maar historisch merkwaardige penteekeningen versierd. Het eerste deel is vermoedelijk aan een nog ouder en grooter dichtwerk, een bewerking der scheppingsgeschiedenis, ontleend en uit het Neder-Duitsch vertaald.

West, Benjamin, een Engelsch historieschilder, geboren den 10den October 1738 te Springfield in Pennsylvanië, vertrok in 1760 naar Rome en in 1763 naar Engeland, waar hij in 1768 de Koninklijke Academie van Beeldende Kunst hielp stichten en tot haar president werd benoemd. Hij schilderde een aantal onderwerpen uit de Oudheid en uit de geschiedenis van den godsdienst, meestal van een strenge, koude academische opvatting. Hiertoe behooren de altaarstukken en de cartons voor de glasschilderingen in de hofkapel te Windsor, „De dood van Epaminondas", „Orestes en Pylades voor Iphigenie", „Agrippina met de asch van Germanicus" enz. Met meer gloed zijn sommige onderwerpen uit lateren tijd vervaardigd, zooals: „De dood van generaal James Wolfe" (in het Grosvenormuseum te Londen),, ,W. Penn,met delndianen onderhandelen de en „De dood van admiraal Nelson." Van zijn overige werken noemen wij nog: „De Slag bij Kaap La Hogue" en „De slag bij de Boyne". West overleed den llden Maart 1820 te Londen.

West-Australië (zie de kaart bij Australië), een van de staten van den Australischen Bond, ligt tusschen 13° 30'—35° Z. Br. en 129° 59' 45"— 113° 5' W. L. en wordt in het N., W. en Z. begrensd door den Indischen Oceaan, in het O. door den staat Australië. De oppervlakte bedraagt 2 527 530 v. km., het aantal inwoners (1906) 261 756; voor 1909 werd dit op 270 777 berekend. Voor de eenvormige kust liggen een aantal meest woeste eilanden, zooals Bigge, de Bathursteilanden, de Boekanierarchipel, de Dampierarchipel, de Montebelloeilanden, Barrow,

Bernier, Dorre, Dirk Hartog, Rottnest, Wallabv, Pelsart Eclipse en de Recherchearchipel. Aan de noordkust vindt men een aantal inhammen o. a. de Cambridgegolf, de Admiraltygolf, de Yorksont, de Brunswickbaai, de Collierbaai, de Kingston en de Exmouthgolf met goede havens, aan de westkust ligt de Sharksbaai, met het Geografenkanaal, aan de zuidkust de King Georgesont en de Esperancebaai. Achter de meest lage en zandige, alleen in het Z. steil oprijzende kust, loopt het land snel op tot een hooglvlakte. Op den hoogen obstrand van de hoogvlakte verheffen zich de rMount Labouchere (1036 m.), de Mount Augustus (1091 m.) en de Mount Bruce (1158 m.); achter dezen rand daalt de bodem langzaam af tot een met dorre bergketens bezette zandwoestijn, in wier zuidelijk deel echter veel goud wordt gevonden. In dit gedeelte vindt men groote zoutmoerassen, zooals het Lake Austin, het Barlee, het Moore, het Couw-Cowing, het Lefroy en het Lake Mac-Donald. De rivieren zijn meestal droog, de mondingen zelden toegankelijk, aan de zuidkust ontbreken zij geheel. De voornaamste zijn: de Blackwood, de Swan, de Murchison, de Gascoyne, de Ashburton, de Fortescue, de Grey en de Fitzroy. Het klimaat is in het bijna alleen bewoonde zuidwesten warm, droog en gezond; te Pert zijn de temperatuuruitersten 47,2° en 0,6° C., de jaarlijksche regenhoeveelheid bedraagt 870 mm. De plantenwereld is in het Z. W. rijk aan allerlei vormen, in het N. vindt men in de parkachtige savannen vertegenwoordigers van de tropische flora. De dierenwereld komt overeen met die van het overige Australië; in het N. vindt men alligators, aan de kust walvisschen, schilpadden en pareloesters.

De landbouw neemt in de laatste jaren toe, de voornaamste produkten zijn tarwe en haver. In 1909 leverden 285 011 acres 2 460 823 bushel tarwe en 59 461 acres 739 303 bushel haver. Ook wordt er wijn verbouwd. Ook de veeteelt gaat vooruit, evenals de visscherij; van de noordwestkust werden in 1903 900 ton mossels tot een waarde van £ 174 000 en parels tot een waarde van £ 40 000 uitgevoerd, de Sharksbaai leverde 53 ton mossels tot een waarde van £ 500 en parels tot een waarde van £ 1735. Aan de noordkust ontwikkelt zich ook de schildpaddenvangst. Het voornaamste middel van bestaan in West-Australië is echter de mijnbouw; in 1908 werd er 1647 911 ounces goud ter waarde van £ 6 999 882 en 168 455 ounces zilver tot een waarde van £18877gewonnen.Devoornaamstegoudmijnen vindt men in de distrikten East Coolgardie, Murchison, Mount Margaret, North Coolgardie. East Murchison, N. E. Coolgardie, Coolgardie, Peak Hill, Broad Arrow, Yilgarn, Yalgoo en Philips River. Behalve goud en zilver levert West-Australië: tin, steenkool, kopererts, lood en tantaliet. In 1903 waren er in 698 industrieele ondernemingen 12 577 arbeiders werkzaam; daarvan behoorden 60 inrichtingen met 3 584 arbeiders tot de houtindustrie, 53 mei- 2 107 arbeiders tot de metaal- en machineindustrie, 132 inrichtingen met 1335 arbeiders leverden voedingsmiddelen en dranken, 113 inrichtingen met 1 671 arbeiders kleederen en weefsels. In 1908 bedroeg de invoer £ 6178197, de uitvoer £ 9 518 020. De handelsvloot telde 348 schepen van 19130 ton. In 1906 waren er 376 staatsscholen met 28 927 en 108 particuliere scholen met 7 515 leerlingen. De lagere scholen zijn meest alle door de regeering opgericht,

Sluiten