Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werp in de 5 afdeelingen welke om de 3 maanden door loting worden vernieuwd, en welke ieder een rapporteur kiezen, wier werkzaamheden overeenkomen met die van de Commissiën van rapporteurs in de Tweede Kamer. Nadat het eindverslag is uitgebracht, volgt de openbare behandeling, die in zoover eenvoudiger is dan die in de Tweede Kamer, dat geen artikelsgewijze behandeling plaats heeft en geen amendementen kunnen worden voorgesteld. Na aanneming door de Eerste Kamer moet het ontwerp, om wet te worden, nog bekrachtigd worden door den Koning (sanctie). Daarna geschiedt de afkondiging door plaatsing in het Staatsblad (zie afkondiging) en op den twintigsten dag na de afkondiging treedt de wet in werking, wanneer daarvoor geen ander tijdstip is vastgesteld.

Het aantalwetten neemt in den tegenwoordigen tijd sterk toe, als gevolg van de uitbreiding der Staatstaak tot onderwerpen, die vroeger niet tot de bemoeiingen van den Staat werden gerekend. In elk bijzonder geval is het voor den wetgever moeilijk te bepalen, of hij de stof in bijzonderheden zelf zal regelen dan wel de nadere regeling van eenig onderdeel zal overlaten aan den Koning bij algemeenen maatregel van bestuur. Het voordeel van dit laatste is, dat bij veranderde omstandigheden wijziging gemakkelijker is dan wanneer alles in de wet is vervat. Wetswijziging is, zooals uit het voorgaande blijkt, steeds een werk van langen adem. Aan de omslachtige wijze van de behandeling van wetten wordt wel eens toegeschreven, dat hier te lande zoo vele ontwerpen onafgedaan blijven en betrekkelijk weinig tot stand komt. Het hoofdbezwaar is, dat het afdeelingsonderzoek weinig waarborg geeft voor deugdelijke behandeling en dat alhet werk, aan dit onderzoek verbonden, nutteloos is, wanneer later blijkt, dat de Kamer in beginsel van het ontwerp afkeerig is. In de meeste andere landen tracht men dit laatste te voorkomen door het stelsel van twee of drie lezingen; eerst worden de hoofdbeginselen behandeld en daarover gestemd; daarna behandeling der onderdeden en eindelijk stemming over het geheel.

De trage gang onzer wetgeving kan tengevolge hebben, dat de wetten niet meer beantwoorden aan de volksovertuiging. Toch blijven zij dan gelden, want een wet kan alleen door een latere wet haar kracht verliezen. Vooral de rechter kan in dergelijke gevallen voor moeilijke conflicten komen te staan, indien hij, de wet streng toepassende, tot een beslissing zou geraken, die hij zelf onbillijk acht. De vraag, hoe de rechter in zoodanig geval heeft te handelen en hoe in het algemeen de verhouding is tussclien rechter en wet, is tegenwoordig onder rechtsgeleerden een onderwerp van levendige gedachtenwisseling.

Niet alleen bij het Rijk kan men spreken van wetgevende macht, maar ook bij de besturen van provinciën, gemeenten en waterschappen. Men noemt de door deze besturen uitgevaardigde voorschriften geen wetten, maar verordeningen. Men zie hierover Provincie, Gemeente en Waterschap. In 't algemeen geldt als regel, dat provincie, gemeente en waterschap tegenover den Rijkswetgever worden beschouwd als lager gezag in dien zin, dat zij niet mogen regelen hetgeen door het Rijksgezag geregeld is en dat hun regelingen vervallen wanneer in hetzelfde onderwerp wordt voorzien door het Rijk. In denzelfden zin zijn gemeente en waterschap on- :

dergeschikt aan de provincie. Onderling bestaat tusschen gemeente en waterschap geen rangorde, maar beide staan naast elkaar.

Over de vereeniging van sommige deelen der wetgeving tot Wetboeken zie men Codificatie en over de verhouding van de wet tot de Grondwet zie men i Grondwet.

Wet, Chrisiiaan de. Zie De Wet.

Weten is in objektieven zin zooveel als voor waarheid kennen, in sabjektieven zin zooveel als voor waarheid aanvaarden op grond van zakelijke overwegingen. Het objektieve weten, wordt, naar de wijze waarop het is verkregen, onderscheiden in empirisch en rationeel, waarvan het eerste door ervaring, het tweede door de rede verworven wordt. Naar den aard van het objekt spreekt men van een reëel, op de werkelijkheid betrekking hebbend, en van een formeel weten, dat zijn grond vindt in bloote verhoudingen. Alnaarmatehet denken, om van de waarheid van zijn inhoud overtuigd te zijn, behoefte heeft aan objektieve motiveeringen of niet, onderscheidt men een discursief en een intuïtief weten. Bestaat het eerste alleen uit het zeker maken door feiten, dan noemt men het factisch; is daarentegen een logisch bewijs uit andere waarheden noodig, dan spreekt men van a po dictisch weten. Het intuïtieve weten eindelijk wordt gesplitst in evident en axiomatisch, al naarmate zijn motiveering overbodig of onmogelijk moet geacht worden.

Wetenschap is in de eerste plaats het weten zelf als toestand van hem, die weet, daarna het inbegrip van alles wat men weet. In engere en eigenlijke beteekenis is zij de samenvatting \an gelijksoortige, naar bepaalde gronddenkbeelden systematisch gerangschikte kennis. Heeft men daarbij meer het oog op haar verklaring en verdere ontwikkeling, dan noemt men haar zuivere wetenschap, staan daarentegen haar toepassingen op den voorgrond, dan spreekt men van toegepaste wetenschap. Een verdere verdeeling hangt samen met de wijze, waarop het weten, dat haar onderwerp vormt, is verkregen. Aldus spreekt men \an inductieve en deductieve of van reëele en formeele, of ook van ervarings- en wijsgeerige wetenschappen. Toch zijn nergens de afzonderlijke wetenschappen zóó scherp van elkander gescheiden, dat ingrijpen van de ééne soort in een andere voorgoed zou zijn buitengesloten. Sommige bestaan zelfs alleen uit een vermenging daarvan, zooals bijv. de staatkunde. Men noemt haar gemengde wetenschappen. Een classificatie der wetenschappen is herhaaldelijk beproefd. Zoo bijv. door Bacon in zijn „Globus intellectualis", door d' Alemberl in zijn „Inleiding tot de eucyclopaedie", door Comte in zijn „Cours de philosophie positive", later voornamelijk doonSpmcer en Wundt. De vooruitgang van onze kennis, voornamelijk van onze ervaring, heeft deze classificaties telkens weder als onvoldoende doen kennen.

Wetter, Wetar of Pocloe Oeeter, een eiland in de Banda Zee ten N. van Timor, vormt met eenige kleinere, daaromheen gelegen eilanden een onderafdeeling van de afdeeling Aroe-, Kei-, Tenimber- en Zuidwestereilanden van de residentie Amboina. De hoofdplaats is Ilwaki. Het aantal inwoners bedraagt ruim 7500, zij staan op een zeer lagen trap van beschaving. In den tijd van de Oost-Indische Compag-

Sluiten