Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het scheren volgt bij de gewone handweverij het opboomen d. w. z. het opwinden van den ketting op den garen- of kettingboom, waarbij men moet zorgen, dat alle draden gelijkmatig verspreid liggen en een vlakte bedekken, die iets meer dan de breedte van de te weven stof bedraagt. De boom wordt op een schraag of op 2 aan het weefgetouw bevestigde steunsels geplaatst. Voor de regelmatige uitbreiding van de draden over de breedte dient een houten lat, die op regelmatige afstanden van dwarsstaven is voorzien en waarop een tweede lat, bij wijze van deksel, rust en de eerste lat vasthoudt. Dit werktuig heet scheikam. Daar bij het weven het garen door het wrijven en schuren veel te lijden heeft en gemakkelijk zou kunnen afknappen, moeten de draden door het bestrijken met kleverige zelfstandigheden versterkt en glad gemaakt worden, welke bewerking men sterken, pappen of lijmen noemt. Vroeger bestreek men onder het weven meestal den ketting met lange, stijve borstels zoowel van onderen als van boven bij gedeelten, wat zoowel door de kleine gedeelten, die bewerkt konden worden, als door den tijd, dien het drogen vorderde, zeer omslachtig en tijdroovend was. Tegenwoordig sterkt men vóór het opboomen den ketting in zijn geheel met afzonderlijke machines. Dikwijls worden de strengen of kluwens gesterkt, zooals zij van den haspel worden genomen, soms ook wordt de uitgespreide ketting aan deze bewerking onderworpen. Dit laatste is o. a. het geval bij de Schotsche sterkmachine en bij de cylindersizingmachine. Wanneer deze voorbereidende werkzaamheden zijn afgeloopen, neemt het eigenlijke weven een aanvang. Dit bestaat daarin, dat het kettinggaren en het inslaggaren zoodanig wordt vereenigd, dat het elkander vasthoudt of bindt. Dit heeft plaats op een meer of minder samengesteld toestel, het weefgetouw of de weefstoel. In figuur 2 is een weefstoel voor het vervaardigen van effen stof afgebeeld. I is de garenboom, waarom de ketting o is gewonden, het andere uiteinde van de ketting wordt aan een tweeden boom n bevestigd, die tevens dient voor het opnemen van het afgeweven doek en doekboom of omlooper wordt geheeten. In sommige gevallen, bijv. bij dunne stolen, wordt het weefsel wel om den borstboom s gewonden. Om den ketting gespannen te houden, heeft men bij u een touw aan het weeftoestel bevestigd; dit loopt om den garenboom en is aan het vrije uiteinde met een gewicht of een zakje met ijzer of steenen bezwaard, waardoor het terugloopen van den garenboom wordt verhinderd, terwijl een pal of klink bij den doekboom het terugloopen daarvan belet. Voor de binding van het inslaggaren met het kettinggaren moet het kettinggaren in twee gelijke of ongelijke afdeelingen worden gesplitst. Dit geschiedt door sommige draden naar beneden, andere naar boven te trekken; de hierdoor verkregen ruimte noemt men vak of sprong; het vak strekt zich in de teekening uit van de kruisroeden p tot de plaats, waar het afgeweven doek begint. Om het vak te doen ontstaan, dienen de kammen, vleugels of tchachten q, waarvan er minstens 2 noodig zijn; bij samengestelde patronen neemt dit aantal sterk toe. De kammen bezitten een aantal lissen of ringetjes, waardoor de kettingdraden worden geleid; bij effen stoffen worden de oneven draden door de eene, de evenjiraden door de andere kam geregen. De ver¬

binding van de kammen is zóó, dat de eene daalt als de andere rijst en omgekeerd. Door touwen zijn zij aan de treden of voetschabellen z bevestigd. Bij het weven van stoffen met meer of minder ingewikkelde patronen is ook het aantal treden grooter. De werkman zit op de bank 1 en trapt de schabellen om den ander naar beneden, terwijl na elke beweging het inslaggaren door het vak wordt bewogen. Deze beweging van het inslaggarcn noemt men i nschieten, doorschieten of inslaan. Dit gebeurt met behulp van een voorwerp spoel, schieter of schietspoel geheeten (figuur 3 A en B), bestaande uit een bakje a, waarin het pijpje of klosje met het inslagg^ren is bevestigd. Figuur 3 A vertoont een handschietspoel, die met de hand wordt voortbewogen, wat alleen plaats kan hebben bij stoffen van minder dan 90 cm. breedte. De spoel wordt met de eene hand door het geopend vak geworpen en met de andere hand opgevangen; daarna wordt met behulp van de tredeit en de kammen het vak verwisseld; waarop de spoel op dezelfde wijze wordt teruggeworpen. Stoffen, die niet op een klosje gewonden kunnen worden, zooals paardehaar, stroo enz. worden met een lange tang door het vak getrokken. Gewoonlijk, bij breedere stoffen altijd, heeft het inschieten plaats met den in figuur 3 B afgebeelde meispoel of snelschieter. Deze beweegt zich over het blok van de lade r. Aan elk uiteinde van deze lade bevindt zich een schietspoelbak a1, waarin zich een zoogenaamde pikker of drijver bevindt, die in de richting van de lade heen en weer kan schuiven. De pikkers van beide bakjes zijn door een touw; zweep genaamd, verbonden. Midden in het touw bevindt zich het handvatd1. Dooreen ruk aan het handvat wordt de pikker in beweging gebracht, en drijft daardoor de spoel door het vak. Voor een goed weefsel is het noodig, dat de inslagdraden onmiddellijk naast elkander en evenwijdig komen te liggen. Hiervoor dient een bijzondere inrichting van de lade. Deze bestaat uit 2 deelen: den ladeboom of het blok en het ladedeksel of de kap. Tusschen deze beide deelen bevindt zich het zoogenaamde riet, bestaande uit 2 paar houten of ijzeren latjes, tusschen welke een groot aantal dunne, platte staafjes bevestigd zijn, met gelijke, geringe tusschenruimten. Door deze tusschenruimten worden de kettingdraden geleid, nadat zij door de kammen zijn geregen, meestal 2, soms 1, soms 3—8 draden in één ruimte. Het beste werk krijgt men, wanneer zich in elke ruimte 1 draad bevindt; is het aantal draden te groot, dan vertoonen zich soms zoogenaamde rietstrepen of galen in de stof. De lade is zoodanig met het raam verbonden, dat zij vooruit en achteruit kan bewegen. Wanneer de wever de lade naar zich toetrekt, slaat het riet aan, d. w. z. het dmkt den inslagdraad tegen het reeds geweven goed. In sommige gevallen verricht men dit aanslaan bij geopenden sprong, in andere bij gesloten sprong; ook geschiedt het wel bij het wisselen van den sprong of tweemaal, namelijk bij geopenden en gesloten sprong. Meestal maakt men ook gebruik van den breedhouder of tempel o1, die dient om het doek in de breedte strak te spannen en het te sterk inweven in de breedte te voorkomen. Sommige tempels moeten, wanneer een gedeelte van de stof afgeweven is, verplaatst worden, andere bewegen zich bij 't opwinden om den doekboom automatisch voort. Bij sommige machines moet, wanneer het

Sluiten