Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 2 km. lengte beschermd en doet dienst als vluchthaven.

Wexio (Vexjö), de hoofdstad van het Zweedsche lan Kronoberg, in de nabijheid van het Heigameer aan den spoorweg Karlskrona-Alfvesta gelegen, is de zetel van een bisschop en van het provinciaal bestuur, bezit een oude domkerk, het Sm&landsch museum van oudheden, een middelbare school, een seminarium voor onderwijzers, luciferfabrieken, ijzergieterijen, en bierbrouwerijen en telt (1905) 7817 inwoners. In 1843 werd de plaats grootendeels in asch gelegd.

Wey, Francis Adolphe, een Fransch schrijver, geboren den 12den Augustus 1812 te Besan^on, werkte, om zijn studies te kunnen voltooien, te Parijs mede aan verschillende tijdschriften („Artiste", „Globe" enz.) en kwam in 1834 door tusschenkomst van Ch. Nodier op de „Ecole des Chartes." Zijn roman „Les enfants du marquis de Ganges", in 1838 gepubliceerd in de „Presse", gaf den stoot aan den zoogenaamden roman-feuilleton. Van 1837—1842 bereisde hij België, Nederland, Zwitserland, Italië en Middel-Frankrijk. In „Scilla et Caribdi" (1843) gaf hij zijn reisherinneringen. Verder noemen wij: „Les Anglais chez eux" (7de druk, 1877), „Dick Moon en France" (1862), „La Haute Savoie, récits d'histoire et de voyages" (1865) en „Rome, descriptions et souvenirs" (3de druk, 1874). Als voorzitter van de „Société des gens de lettres" (1853— 1865) leidde hij de uitgave van „Trésor littéraire de la France" (1866). Verder schreef hij eenige wijsgeerige werken, waaronder: „Remarques sur la langue fran?aise au XIX siècle" (2 dln., 1845). Hij overleed in 1882 te Parijs.

Weyden, Rogier van der, ook genaamd Roger de la Pasture, een Vlaamsch historie- en portretschilder, werd geboren te Doornik omstreeks 1400 en overleed te Brussel in 1464. Van 1426—27 was hij in de leer bij Robert Campin te Doornik. Sedert 1436 werkte hij te Brussel. Van 1449—50 maakte hij een reis naar Italië, waarschijnlijk ingevolge van een uitnoodiging van Leonello <F Este te Ferrara. Behalve voor dezen prins werkte hij in Italië voor de Sforra's, de Medici, en Alfonso van Napels. Zijn verblijf in Italië is van beteekenis geweest voor de Italiaansche schilders en moet er veel toe bijgedragen hebben de Vlaamsche olieverf-techniek in Italië meer algemeen bekend te maken. Hans Memling, Dirck Bouts en de Meester van Flémalle hebben zijn invloed ondergaan. Rogier van der Weyden is een der grootste meesters der zoo hoog staande 15de eeuwsche Vlaamsche kunst. Hij is in zijn teekening_ minder krachtig dan de gebrs. van Eyclc, maar is een groot colorist en weet als weinig anderen de gevoelens weer te geven, die de voorgestelde personen bezielen. Gelijk al zijn tijdgenooten schilderde Rogier van der Weyden meest kerkelijke stukken. Van de meest beroemde noemen wij de „Graflegging" in het Fscuriaal te Madrid, het Middelburgsch en het Johannes-altaarstuk te Berlijn, het Maria-altaar te Frankfort, de „Aanbidding der Koningen" te München, de „Kruisiging" te Weenen en de „Graflegging" te Brussel. Ook Van der Weyden's portretten zijn van groote beteekenis. Ons land bezit slechts één werk, dat aan hem wordt toegeschreven: de „Afneming van het Kruis" in het Mauritshuis te 's Gravenhage.

Weyenberg:, Hendrik, een Nederlandsch ge¬

leerde, geboren te Haarlem den 6den December 1842, studeerde en promoveerde in de wijsbegeerte en werd in 1873 hoogleeraar aan de universiteit te Cordova in de Argentijnsche Republiek. Onder het pseudoniem Student Parto leverde hij een dichtbundel, getiteld: „Primula's" (1871). Verder schreef hij een aantal verhandelingen en mededeelingen in wetenschappelijke binnen- en bnitenlandsche periodieken, meestal over dierkundige, met name entomologische onderwerpen. Ook verscheen van zijn hand in het „Nieuws van den Dag", als feuilleton, een reeks van artikelen over het leven en de toestanden in Z. Amerika. In het laatst van zijn leven keerde hij naar het vaderland terug. Hij overleed te Bloemendaal den 27stea Juli 1885.

Weyer (ook Wier), Johan, een Nederlandsch geneeskundige, geboren in 1516 te Grave in NoordBrabant, reisde reeds vroeg in Duitschland en Frankrijk, studeerde daarna te Bonn, Parijs en Orléans en vestigde zich in 1545 als stadsgeneesheer te Arnhem. In 1550 trad hij als lijfarts in dienst van Willem IV, hertog van Gulik, Kleef en Berg, die te Düsseldorf hof hield. Aan dezen droeg hij in 1550 zijn verhandeling op „De praestigiis daemonum et incantationibus ac veneficiis libri V" (1563 en later), waarin hij trachtte den keizer en alle vorsten van de dwaasheid en het verderfelijke der heksenvervolgingen te overtuigen. Dit gelukte hem bij hertog Willem,-, van den anderen kant haalde hij zich echter den haat van de geestelijkheid op den hals. In 1578 nam hij ontslag als lijfarts, waarop hij zich te Kleef vestigde. Van zijn verdere werken noemen wij: „De lamiis"(1578), „Pseudomonarchia daemonum" (1580), „De commentitiis jejuniis" (1567 ; 2de druk, 1582), „De Irae morbo" (1577) en „Arzneibuch von etlichen bisher unbekannten und unbeschriebenen Krankheiten" (1580). Zijn „Opera omnia" verschenen te Amsterdam in 1660. Hij overleed den 248ten Februari 1588 te Tecklenburg.

Weyer, Silvain van de, een Belgisch staatsman, geboren in 1802 te Leuven, studeerde aldaar in de rechten, vestigde zich als advocaat te Brussel, waar hij laoer stadsbibliothecaris, conservator van het Bourgondisch Archief en hoogleeraar aan het Museum werd. Ijverig tegenstander van het Nederlandsch bestuur en mederedacteur van de „Gazette des Pays-Bas", werd hij, na de publicatie van oppositioneele artikelen in „Le Courrier des PaysBas", van zijn ambten ontheven. Nade omwenteling van 1830 was hij lid van de Veiligheidscommissie en daarna van het Voorloopig Bewind. Als lid van het Nationaal Congres ijverde hij voor de uitsluiting van het Huis van Oranje. Op last van het Voorloopig Bewind vertrok hij in December 1830 met Vilain X1III naar Engeland om de onafhankelijkheid van België te verzekeren. Na zijn terugkeer aanvaardde hij den 26gten Februari 1831 de portefeuille van Buitenlandsche Zaken. In die betrekking verzette hij zich zooveel mogelijk tegen de Franschgezinde partij en bevorderde de verkiezing van prins Leopold tot koning van België. Nadat deze den troon beklommen had, werd hij in 1831 benoemd tot buitengewoon gezant bij het hof te Londen. In 1845 stond hij als minister van Binnenlandsche Zaken aan het hoofd van het zoogenaamde „Cabinet mixte". Daar hij er echter niet in slaagde om de beide partijen, de Ultramontaansche en de Liberale, met elkander te verzoenen, trad hij in 1846

Sluiten