Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wichers, Jolian, geboren in 1616 te Groningen, studeerde aldaar, bezocht eenige hoogescholen in Italië en Frankrijk en verkreeg in 1643 te Orleans den graad van doctor in de rechten. Na zijn terugkeer werd hij burgemeester van Groningen, huwde met Clara Gockinga, een kleindochter van den vermaarden Scalo Gockinga, en overleed den 16den November 1667.

Wichers, Wicher, geboren in 1651, nam in 1700 deel aan de onderhandelingen met den Franschen gezant (T Avaux, welke ten doel hadden den Spaanschen Successie-oorlog te voorkomen, en in 1713 aan die omtrent het voorloopig Barrière-Tractaat. Hij was burgemeester van Groningen en overleed in 1715.

Wichers, Jan Gerard, geboren den 15den Juli 1745, was gouverneur-generaal van Suriname en overleed den 3den October 1808.

Wichers, Hendrik Ludolj, geboren te Groningen den 10den Februari 1747, studeerde en promoveerde aldaar in de rechten, vestigde er zich als advocaat en schreef „Lex hominum communis secundum mentem Hugonis Grotii proposita et explicata" (1777). In 1795 gedurende de omwenteling uit zijn ambten ontslagen, trok hij zich uit het openbare leven terug om zich geheel aan de studie te wijden. Op aandringen van den erfstadhouder betrad hij in 1802 opnieuw de staatkundige loopbaan,werdlid van den Raad van kState, in 1806 lid van den Raad van Financiën in de provincie Groningen en kort daarop lid van het college van thesaurier-generaal en raden van Financiën te 's Gravenhage. In 1807 werd hij landdrost der provincie Groningen en onder de Fransche heerschappij prefect van het departement Wester-Eems. Van 1815—1818 was hij directeurgeneraal der indirecte belastingen en der convooien en licenten. Als zoodanig verdedigde hij in 1816 een nieuw stelsel voor de heffing van in- en uitvoerrechten in de Staten-Generaal, dat werd aangenomen. Van 1818—1820 was hij weder lid van den Raad van State. Van zijn hand verschenen nog: „Verhandeling over de oude Groninger munten, voornamelijk die in het stadsboek voorkomen" en „Verklaring van het tractaat van Reductie der stad Groningen aan de Unie van Urecht" (2 stukken, 1797). Hij overleed den 15den Mei 1840 te Groningen.

Wichert, Ernst, een Duitsch schrijver, geboren den llden Maart 1831 te Insterburg, studeerde te Koningsbergen in de rechten, werd in 1860 kantonrechter tePrökuls nabij de Russische grenzen,in 1863 raadsheer bij het kantongerecht en in 1877 bij het gerechtshof te Koningsbergen. In 1887 overgeplaatst naar Berlijn, nam'hij daarin 1896 ontslag. Als tooneelschrijverhadhij een toenemend succesmet :„Unser General York" (1858), „Der Withing von Samland" (1860), „Licht und Schatten" (1861) en de blijspelen: „Der Narr des Glücks" (1873), „Ein Schritt vom Wege" (1873), „Die Realisten" (1874), „Die Frau für die Welt" (1876), gevolgd door andere, zooals: „Hohe Gönner" (1883) en met de tooneelstukken: „Aus eigenem Recht" (1893) en „lm Dienste der Pflicht" (1897) een stijgend succes. Van zijn talrijke romans en vertellingen noemen wij: „Ein haszlicher Mensch" (2 dl i., 1868), „KI ine Romans" (3 dln., 1871), „Hinter den Kulissen" (3 dln., 1872), „Die Arbeiter" (1873), „Das griine Tor" (3 dln., 1875), „Heinrich von Plauen" (9de

druk, 3 dln., 1905), „Littauische Geschichten" (3dc druk, 2 dln., 1904—1906), „Der grosze Kurfiirst in Preuszen" (4de druk, 3 dln., 1905), „Suum Cuique" (2 dln., 1888), „Tileman vom Wege" (3 dln., 1890), „Herr von Müller" (2 dln., 1893), „Blinde Liebe" (1895), „Minister auszer Dienst" (1899) en „Mütter" (1904). Onder den titel „Richter und Dichter" (1899) publiceerde hij een autobiografie. Hij overleed den 21Bten Januari 1902 te Berlijn. Zijn verzamelde werken verschenen in 18 dln. (1896—1902).

WichhofF, Franz, een Oostenrijksch kunstgeleerde, geboren den 8sten Mei 1853 te Steyr in Boven-Oostenrijk, studeerde te Weenen en deed verschillende studiereizen, welke hem door geheel Europa en naar den Levant brachten. In 1880 werd hij custos aan het Oostenrijksch Museum voor Kunst en Nijverheid, waar hij zich als leider van de textielafdeeling zeer verdienstelijk maakte; in 1885 werd hij buitengewoon en in 1891 gewoon hoogleeraar aan de hoogeschool te Weenen. Behalve opstellen in het „Jahrbuch der Kunstsammlungen des Allerhöchsten Kaiserhauses", het „Repertorium für Kunstwissenschaft" en in andere tijdschriften, publiceerde hij: „Die italienischen Handzeic! nungen der Albertina" (1892) en met W. v. Hariel het miniatuurhandschrift van de Weener bibliotheek, bekend als „Wiener Genesis" (1895), waardoor hij onze kennis van de laat-Romeinsche kunst niet weinig vermeerderde. Ook gaf hij, in medewerking met anderen, een „Beschreibendes Verzeichnis der Illuminierten Handschriften in Österreich" (1905 en later) uit. Van 1904 af redigeerde hij den „Knnstgeschichtlicher Anzeiger", een bijblad van de „Mitteilungen des Instituts für österreichische Geschichtsforschung". Hij overleed den 7den April 1909 te Venetië.

Wichmann, Karl Friedrich, een Duitsch beeldhouwer, geboren te Potsdam in 1775, genoot zijn opleiding onder Schadow en vertrok in 1813 naar Rome. Na zijn terugkeer vestigde hij zich in 1821 te Berlijn. Tot zijn voornaamste werken behoort het levensgroot marmeren standbeeld van keizerin Alexandra van Rusland, in 1831 te St. Petersburg onthuld. Ook modelleerde hij een reeks van karakteristiek opgevatte borstbeelden van verschillende staatslieden en geleerden. Hij overleed den 8sten April 1836 te Berlijn.

Wichmann, Ludwig Wilhelm, een Duitsch beeldhouwer, een broeder van den voorgaande, geboren den 10den October 1788 te Potsdam, studeerde onder Schadow, daarna van 1807—1813 te Parijs onder David en Bosio en vertrok in 1819 naar Rome. In 1821 vestigde hij zich met zijn broeder te Berlijn. Hier bewoog hij zich voornamelijk op het terrein van het borstbeeld. In 1830 vervaardigde hij de door den koning bestelde marmeren groep: „Amor en Psyche". Verder leverde hij beeldhouwwerk tot versiering van het operagebouw en van het Oude Museum te Berlijn. In 1833 modelleerde hij de kolossale figuren van den aartsengel Michaël en van twee andere engelen boven de deuren van de Werdersche kerk, alsmede voor de reusachtige beelden en groepen in zandsteen, geplaatst aan de buitenzijdederNicolaïkerktePotsdam. In 1843stelde hij het standbeeld van Winckelmann ten toon, dat, in brons gegoten, in diens vaderstad, Stendal, geplaatst werd. Een marmeren standbeeld van dien

Sluiten