Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die gedeeltelijk binnen, gedeeltelijk buiten boord ligt en een wiel of scheprad draagt. De wielassen van een raderboot liggen in elkanders verlengde, de raachineas bevindt zich tusschen deze beide assen in en loopt in dezelfde richting, zoodat zij aan elkander gekoppeld kunnen worden en dan als het ware één as vormen.

Wielerbond, Nederlandsche. Zie Wielrijden.

Wieliczka, een stad in Gallicië, door een spoorweg met Krakau verbonden, is de zetel van een kantongerecht, bezit een slot, een reformatenklooster, een mijnbouwschool, een pannebakkerij en telt (1900) 6293 Poolsche inwoners. Onder de stad ligt de beroemde steenzoutmijn, welke van het O. naar het W. 3800 en van het N. naar het Z. 1200 m. lang is en een diepte van 280 m. bereikt De zoutvormingen behooren tot het tertiaire tijdperk. Het zuiverste zoogenaamde Szybiker zont vindt men in de onderste, het minder zuivere Spizazout in de daaropvolgende en het zoogenaamde groene zout in de hoogste lagen. Elf dagschachten geven toegang tot de mijn. Twee daarvan zijn in de stad zelf gelegen. Een is voorzien van een wenteltrap; zij werd in 1744 aangelegd. Over zeven galerijen is een labyrinth van gangen, met een gezamenlijke lengte van 93 km., verdeeld. De mijn bevat 16 meren, waarvan er verschillende kunnen worden bevaren. Tien uitgehouwen kamers ter hoogte van 30 m. zijn versierd met beelden, zuilen, kronen enz., alles van zout vervaardigd. In de grootste wordt op den 3den Juli een mis gelezen. Het zout van Wieliczka is niet wit, maar zwartachtig grijs. Het wordt alleen in de onderste gangen gedolven en vervoerd langs paardetramlijnen (40km.). In den handel komt het als stukzout, als gemalen spijszout, als vee- en fabriekszout.

De zoutmijnen van Wieliczka worden reeds in 1404 genoemd. Kasimir de Oroote organiseerde een regelmatige ontginning. Later riep Augustus 11 Saksische mijnwerkers derwaarts, die een betere exploitatie invoerden. In 1772 kwamen zij aan Oostenrijk. Bij den Vrede van Weenen van 1809 werden zij als gemeenschappelijk eigendom overgelaten aan het keizerrijk Oostenrijk en aan het hertogdom Warschau. Het Weener Congres wees haar weder uitsluitend aan Oostenrijk toe.

Wielopolski, Alexander Ignatius Johann Peter Stariköw, markies van Mirow Gonzago Myszkowski, graaf van, een Poolsch staatsman, geboren den 13den Maart 1803, studeerde in de rechten en de wijsbegeerte te Warschau, Parijs en Dresden, ondernam in 1830 voor de Voorloopige Regeering een diplomatieke reis naar Engeland, drong daarna aan op een verzoening met Rusland en trok zich later op zijn landgoed terug. De Gallicische gruwelen gaven hem aanleiding tot zijn „Lettre d'un gentilhomme polonais sur les massacres des Galiciens, adressée au prince de Metternich" (1846), welke veel opzien baarde. Bekend als Russofiel, had hij als directeur van de nationale regeeringscommissie, welke door de hervorming van de school en de bevrijding van den boerenstand de wedergeboorte van Polen zou voorbereiden zoodanig met wantrouwen van zijn eigen landgenooten te kampen, dat hij, 9 maanden na zijn benoeming, in December

1861 zijn ontslag moest nemen. Toch werd hij in

1862 aan den stadhouder, grootvorst Cmstantijn toegevoegd als chef van het burgerlijk bestuur, om aldus door een nationale regeering en door gematig¬

de hervormingen de ontevredenheid der Polen uit den weg te mimen. Bij het uitbreken van de revolutie van 1863 begaf hij zich naar Dresden. Hier overleed hij den 30sten December 1877.

Wielrijden, aanvankelijk een bezigheid, die alleen als sport werd beoefend, heeft zich snel ontwikkeld tot een van de meest algemeene middelen van vervoer. De rijwielsport is afkomstig uit Engeland en kwam in het laatst van de 19de eeuw naar het vasteland van Europa. In 1871 werd de eerste Nederlandsche fietsclub opgericht te Deventer, in 1874 gevolgd door een te Leeuwarden, vervolgens door een groot aantal andere. Deze vereenigingen hielden zich voornamelijk bezig met het organiseeren van wedstrijden en van fietstochten. Het rijden op wedstrijden noemt men wielrennen, het rijden met het doel om tochten te maken toeren. Op da ontwikkeling van den rijwielsport heeft de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond (zie aldaar), die zich aanvankelijk met het renwezen, later uitsluitend met het toerisme bezighield, grooten invloed gehad. De bond, die zich thans met de bevordering van het wielrennen bezighoudt, is de in 1898 opgerichte Nederlandsche Wielerbond. Volgens de regels van dezen bond, die bij de Union Cycliste Internationale, de internationale wielrennersvereeniging, waardoor jaarlijks wereldkampioenschappen worden uitgeschreven, is aangesloten, worden de wielerwedstrijden in Nederland gehouden. De wielrenners worden onderscheiden in amateurs en beroepsrenners (professional renners). Verder onderscheidt men lange afstandsrijders of stayers en korte afstandsrijders of sprinters. De Nederlandsche Wielrijdersbond schrijft jaarlijks wedstrijden uit voor amateurs stayers en professional stayers, voor amateur sprinters en professional sprinters. Men heeft afdeelings- of provinciale kampioenschappen, welke op den gewonen weg worden verreden, en nationale kampioenschappen, die op een afzonderlijke wielerbaan plaats hebben. Het wielrennen in Nederland heeft in de laatste jaren weinig te beteekenen, het rijwieltoerisme daarentegen heeft zich kolossaal ontwikkeld. In verband daarmee is de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond een bloeiende vereeniging, terwijl de Nederlandsche Wielerbond slechts weinig leden telt. Zie ook Rijwiel.

Wien, Wilhelm, een Duitsch natuurkundige, geboren den 13den Januari 1864 te Gaffken bij Fischhausen (O. Pruisen), studeerde te Göttingen, Heidelberg en Berlijn, promoveerde aldaar in 1886 op een proefschrift over de absorptieverschijnselen, welke bij de buiging van het licht optreden, en werd in 1891 assistent van Helmholtz aan de Physikalisch Technische Reichsanstalt te Charlottenburg. In hetzelfde jaar vestigde hij zich als privaatdocent te Berlijn, in 1897 werd hij buitengewoon hoogleeraar in de natuurkunde te Aken, in 1899 gewoon hoogleeraar te Gieszen en in 1900 te Würzburg. Zijn onderzoekingen hebben voornamelijk betrekking op de verdere uitbreiding van de wet op het behoud van arbeidsvermogen in de richting van de theorieën van Maxwell en Hertz; hij bepaalde de bovenste grens van de golflengten, welke bij de straling van vaste lichamen kunnen voorkomen, en ontdekte een nieuwe betrekking tusschen de straling van zwarte lichamen en de tweede hoofdwet van de mechanische warmtetheorie. Verder

Sluiten