Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duitschen voet moest brengen. Van zijn werken noemen wij o. a.: „Deutsche Briefe über englische Erziehung" (3de druk, 2 dln., 1877), „Das höhere Schulwesen in Preusen. Historisch statistische Darstellung"(4 dln., 1864—1901), „Sammlung der Verordnungen und Gesetze für die höhern Schalen in Prei-szen"(3de druk, 2 dln., 1886—1888), „Die Bildung des Willens" (5de druk, 1891), „Ueber den Miszbrauch der Sprache" (2de druk, 1884), „Pedagogische Ideale und Proteste" (1884) en „Lebenseriimerungen und Amtserfahrungen"(2 dln., 1886). Hij overleed den 268"311 Februari 1900 te Potsdam.

Wleselburg- (Hongaarsch Mosori), een Hongaarsch comitaat, gelegen aan de Donau, grenst aan Neder-Oostenrijk en aan de comitaten Obenburg, Raab en Preszburg en telt op een oppervlakte van 2012 v. km. (1901) 89 714 Duitsche, Magyaarsche en Kroatische inwoners. De voornaamste voortbrengselen zijn tarwe, wijn, rundvee, visch en salpeter. De hoofdstad is Hongaarsch Altenburg.

Wieselbnrg: (Hongaarsch Moson), een plaats in het gelijknamige Hongaarsche comitaat, dicht bij de Wieselburger Donau aan den spoorweg Boedapest-Bruck gelegen, heeft een belangrijken graanhandel, fabrieken voor landbouwwerktuigen, suiker en stijfsel en telt (1901) 5 172 inwoners. Van Wieselburg wordt reeds in het Nibelungenlied melding gemaakt. Reeds ten tijde der eerste Arpadenkoningen bevond zich hier een grensvesting, Porta Moesia. Hier werden koning Peter (1044) en Andreas 1 (1060) op hun vlucht gevangen genomen en overwon Iioloman in 1096 de voorhoede van den eersten Kruistocht.

Wieseler, Friedrich, een Duitsch oudheidkundige, geboren den 19den October 1811 te Altencelle (Hannover), studeerde te Göttingen en te Berlijn en vestigde zich in 1839 als privaatdocent te Göttingen, waar hij in 1842 tot buitengewoon en in 1864 tot gewoon hoogleeraar benoemd werd. Sedert 1847 was hij ook directeur van het door hem gestichte oudheidkundig seminarium. Wij noemen van hem: „Conjectanea in Aeschily Eumenides" (1839), „Adversaria in Aristophanis Aves" (1843), „Ueber die Thymele des griechischen Theaters"

(1847) en „Theatergebaude und Denkmaler des Bühnenwesens bei den Griechen und Römern" (1861). Ook leverde hij een nieuwe bewerking en voortzetting van K. O. Müller's „Denkmaler der alten Kunst" (1864—1866). Hij overleed den 3den December 1892 te Göttingen.

Wieseler, Karl Georg, een Duitsch godgeleerde, een broeder van den voorgaande, geboren den 28®ten Februari 1813 te Altencelle (Hannover), studeerde te Göttingen, vestigde zich aldaar in 1839 als privaatdocent en werd er in 1843 benoemd tot buitengewoon hoogleeraar. In 1861 werd hij gewoon hoogleeraar te Kiel en in 1863 te Greifswald. Hij maakte zich vooral bekend door zijn chronologische onderzoekingen op het gebied der Nieuw-Testamentische exegese. Zijn voornaamste werken zijn: „Chronologische Synopse der vier Evangelien" (1843), „Chronologie des apostolischen Zeitalters"

(1848), „Beitrage zur richtigen Wfirdigung der Evangelien und der evangelischen Geschichte" (1869), „Die deutsche Nationalitat der kleinasiatischen Galater" (1877), „Zur Geschichte der neutestamentlichen Schrift und des Urchristentums" (1880) en „Untersuchungen zur Geschichte und

Religion der alten Germanen in Asiën und Europa" (1881). Hij overleed den lld™ Maart 1883 te Greifswald.

Wieselgren, Peter, een Zweedsch schrijver, geboren den lsten October 1800 in het kerspel Wieslanda in Sm&land, studeerde te Lund, werd in 1824 leeraar in de geschiedenis der letterkunde en daarna adjunct voor aesthetiek en in 1830 onderbibliothecaris. Hij werd in 1833 benoemd tot godsdienstleeraar te Westerstad in Schonen en in 1847 te Helsingborg en werd in 1867 domproost te Gothenburg, waar hij den 10dea October 1877 overleed. Behalve als godsdienstleeraar is hij inzonderheid tot bevordering der matigheid in Zweden ijverig werkzaam geweest. Van zijn geschriften vermelden wij: „Sveriges sköna literatur" (6 dln., 1833—1849, ook later uitgegeven), „Ny SmSlands beskrifning (3 dln., 1844—1847) en „Sydskandenavemes förstfödsloratt" (1848). Daarenbovenjwashij medewerker aan een Zweedsch biografisch woordenboek (23 dln., 1836—1866), en belastte hij zich na den dood van Palmblad (1852) met de hoofdredactie daarvan, alsmede van een vervolg op dat werk (6 dln., 1868—1866). De Zweedsche Academie vereerde hem in 1863 met den Karei Johan-prijs wegens zijn verdiensten op letterkundig gebied.

Wieselgren, Harald, een Zweedsch schrijver, geboren den 2den November 1836 in het kerspel Vasterstad (Schonen), was van 1867—1900 beambte aan de bibliotheek te Stockholm en stichtte in 1862 de vereeniging „Idun", welke ook thans nog het middelpunt van het geestelijk leven te Stockholm vormt. Van zijn biografische werken, welke zich onderscheiden door schitterende uitbeeldingskunst, noemen wij: „Ur vér Samtid" (1880), „Lars Joh. Hierta" (1881), „Cavour, Italiens befriare" (1884), „Bilder och minnen" (1889), „I gamla dagar och i vêra" (1901) en „Joh. Aug. Malmström 1829—1901" (1904). Verschillende biografische bijdragen van zijn hand verschenen ook en het „Svenskt biografiskt Lexikon", nieuwe reeks, dat hij van 1867—1866 redigeerde, en in de „Ny illustrerad tidning",welke hij van 1866—1879 uitgaf. Grootere werken van zijn hand op ander gebied zijn: „öfver Atlanten" (1876), een reisbeschrijving en de studie „Drottnmg Kristinas bibliotek och bibliotekarier före hennes bosattning i Rom" (1901). Hij overleed den 17den Maart 1906 te Stockholm.

Wiesner, Julius, een Oostenrijksch plantkundige, geboren den 20sten Januari 1838 te Tsjechen bij Brünn, studeerde aldaar en te Weenen, vestigde zich in 1861 als privaatdocent in de physiologische plantkunde aan het polytechnisch instituut aldaar en werd in 1868 tot buitengewoon hoogleeraar benoemd. In 1870 als zoodanig benoemd aan de boschbouwschool te Mariabrunn, trad hij in 1873 op als gewoon hoogleeraar in de anatomie en physiologie der planten aan de universiteit te Weenen. Van 1893—1904 deed hij een reeks van reizen naar Egypte, Britsch- en Nederlandsch O. Indië, Spitsbergen en N. Amerika om den invloed van het zonlicht op den groei der planten te bestudeeren. Verder vond hij een aantal methoden van onderzoek op het gebied der plantenphysiologie en verrichtte hij onderzoekingen omtrent de betrekking tusschen het licht en den plantengroei, het bladgroen, het bewegingsvermogen der plant#i

Sluiten