Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wig-wam. Zie Indianen.

Wiking-er of Vikinger. Zie Noormannen.

Wikke (View L.), een plantengeslacht van de familie der Vlinderbloemigen, omvat kruidachtige planten met evengevinde bladeren, schuin naar beneden afgesneden buis der helmdraden, draadvormige stijl en een drie- of meerzadige peul. De gewone wikke, voeder- of zomerwikke (F. sativa L.), draagt 1—2 bloemen in de bladoksels; de bloemen bezitten in den regel een witte vlag, violette kiel en purperroode vleugels; de rijpe zaden zijn zeer weinig ovaal-, bijna bolrond en grijsbruin, zwartbruin tot zwart van kleur. Bij de variëteit „Hopetouuwikke" is het zaad erwtachtig geelgroen van kleur. De 80—90 c.m. hooge plant is een der oudste voederplanten en stamt volgens De Candolle uit de streken aan de zuidelijke helling van den Kaukasus. De cultuur heeft zich over de geheele aarde verbreid. In den regel wordt de wikke als zomergewas verbouwd. In warme streken ook als wintergewas. De plant wordt voor zaadwinning, groenvoeder en groenbemesting gecultiveerd. De zaden dienen als vogelvoeder en in gebroken toestand als mestvoeder, in het bijzonder voor varkens. Het meel wordt soms, met koren gemengd, tot brood (wikkebrood) gebakken. De plant gedijt het best op de klei- en leemgronden, doch bij voldoende vochtigheid en bemesting ook op de lichtere grondsoorten. Ze wordt dikwijls met haver of met boonen of met beide gemengd uitgezaaid. Alleen verbouwd wordt ongeveer 1.76—2 H.L. per H.A. aan zaaizaad genomen. De zandwikke (Vicia villosa Roth) is van de vorige soort onderscheiden door haar behaarde stengels en bladeren, door de blauwviolette, in lange trossen staande bloemen en de blauwzwarte, kogelronde zaden. Ze wordt wel op de zandgronden, gemengd met rogge, verbouwd en dan in den aanvang van September met dit gewas uitgezaaid. Aan zaaizaad wordt dan omstreeks 80—90k.g. zand wikken en 100 k.g. rogge gebruikt. Op goede gronden kan dan in het midden van Mei dikwijls een flinke snede groenvoeder worden gewonnen en groeien de wikken dikwijls goed na. De wiklinze (F. tetrasperma Mnch, Ervum Ervilea L.), met witte tot bleekviolette bloemen en parelsnoervormige, meest 4-zadige peulen, werd vroeger meer, thans minder als voedergewas op lichte gronden verbouwd.

Wikkelbeer. Zie Kinkaioe.

Wil is volgens het gewone spraakgebruik het vermogen om tot de uitvoering van een handeling over te gaan, tengevolge van de voorstelling van een doel. In het algemeen kan men daarbij 3 elementen onderscheiden; eerst ontstaan er in de ziel een of meer begeerten, die op een of meer doeleinden zijn gericht, vervolgens wordt de waarde van de doeleinden en hun uitvoerbaarheid overwogen en daarna krijgt een begeerte de overhand, waardoor de behoefte aan het volvoeren van een handeling ontstaat. Deze handeling is niet altijd een uiterlijke, zij kan ook in een verandering binnen de grenzen van de voorstellingen bestaan. Over de verhouding van den wil tot de voorstellingen, gevoelens en begeerten en van den wil tot de handelingen heerschen zeer verschillende meeningen. Volgens sommige theorieën is de wil geen zelfstandige werking van de ziel, doch bestaat zij uit psychische begeleidende verschijnselen van de begeerten. Anderen beschouwen haar als een zelfstandige

zielsuiting. Omtrent het vraagstuk van den vrijen wil zie Determinisme.

Wilberforce, William, een Britsch philantroop, geboren te Huil den 248ten Augustus 1769, studeerde te Cambridge en werd in 1780 lid van het Parlement. In de zitting van 1789 deed hij met Pitt een voorstel tot afschaffing van den Britschen slavenhandel en wist in 1792 met een geringe meerderheid het besluit door te drijven, dat deze in 1796 een einde zou nemen. De oorlog en de gevaarlijke toestand der koloniën waren echter oorzaak, dat die maatregel niet aanstonds werd uitgevoerd. Niettemin hadden de pogingen van Wilberforce de uitwerking, dat in de zitting van 1806 het ministerie Fox zelf een voorstel indiende tot wering van den Britschen slavenhandel, dat, door Wilberforce ijverig ondersteund, in het volgende jaar tot wet verheven werd. Van den 8sten Januari 1808 af werd de slavenhandel in het geheele Britsche gebied opgeheven. Vervolgens trachtte Wilberforce ook de overige beschaafde staten tot het nemen van een dergelijken maatregel te bewegen. Op zijn aandringen bracht Caxtlereagh deze aangelegenheid ter sprake op het Congres te Weenen. Hij zorgde vervolgens, dat de verdragen, waarbij Frankrijk, Spanje en Portugal zich tot de afschaffing van den slavenhandel verbonden, met nauwgezetheid werden nagekomen. Na de afschaffing van den slavenhandel ijverde hij voor de afschaffing van de slavernij in het algemeen. Reeds in 1816 deed hij in het Parlement een voorstel tot vermindering van het aantal Negers in West-Indië, en toen de regeering sedert 1823 een volkomen emancipatie der Negers voorbereidde, zorgde Wilberforce in vereeniging met Buxton, dat in het Lagerhuis deze zaak grondig werd onderzocht en verzamelde hij veel materiaal tot bestrijding van zijn tegenstanders. Sedert 1826 was hij wegens ziekte genoodzaakt zich uit het openbaar leven terug te trekken. Hij overleed te Chelsea den 29stel1 Juli 1833. In zijn „Practical view of the prevailing religious systems of professed Christians" (1797 en later) trad hij op als een ijverig aanhanger der Staatskerk. Zijn „Correspondence" verscheen in 1840 in 2 deelen, zijn „Private papers" in 1897. Zijn leven werd beschreven door zijn zoons Robert lsaak en Samuel (6 dln., 1838), door Samuel Wilberforce (1868), door Cohfulwun (2d« druk, 1867) en door Stoughion (1880). Van zijn vier zonen gingen drie over tot de R. Katholieke Kerk, en de vierde, Samuel Wilberforce (geboren 7 September 1805, f 19 Juli 1873), werd bisschop van Winchester en groot-aalmoezenier der koningin en heeft onderscheiden godgeleerde geschriften uitgegeven.

Wilberg-, Chrislian, een Duitsch schilder, geboren den 20sten November 1839 te Havelberg, was een leerling van Pape en Gropius te Berlijn, vervolgens van Achenbach te Düsseldorf, reisde daarna in Noord-Duitschland en vertoefde 2 jaar in Italië, waarna hij zich te Berlijn vestigde. Tot zijn voornaamste landschappen en architectonische schilderijen behooren: „Romeinsch landschap met de grot van Egeria", „Eenzaamheid in het park", „Forum Romanum", „Tempel van Juno bij Girgenti", „Santa Maria della Salute", „Memento mori" en „Villa Mondragone." In 1879 deed hij een reis naar Pergamon, die aanleiding gaf tot de schilderijen van den akropolis en de basilika te

Sluiten