Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delberg en vestigde,zich in 1515 te Schlettstadt, waar hij den 17d'" November 1528 overleed. Op aansporing van Geiler von Kaisersberg schreef hij een geschiedenis van de bisschoppen van Straatsburg (1510 voltooid), voor keizer Maximiliaan I vervaardigde hij de „Gravamina"(1520 gedrukt), waarin hij de misstanden op kerkelijk gebied schilderde. Ofschoon hij van de noodzakelijkheid van kerkelijke hervormingen overtuigd was, was hij geen voorstander van de Hervorming, daar hij een afkeer had van de volksbeweging en den invloed van de wereldlijke macht op kerkelijk gebied vreesde. Van zijn werken noemen wij nog: ,,Germania"(1501), „Epitoma rerum Germanicarum usque ad nostra temfiora"(1505) en zijn Latijnsch tooneelstuk „Stylpho"(1470, uitgegeven door Holstein, 1892), terwijl hij verder een aantal opvoedkundige geschriften in het licht gaf.

Wimpina, Konrad, eigenlijk Konrad Koch, een R. Katholiek godgeleerde, geboren omstreeks het jaar 1465 te Buchen in het Odenwald, was sedert 1479 student, sedert 1485 magister en sedert 1491 leeraar aan de universiteit te Leipzig, bezat tevens een kae.unnikaat te Wimpfen aan den Neckar (vandaar zijn bijnaam Wimpfinus of Wimpina) en werd in 1505 leeraar en eerste rector aan de pas gestichte universiteit te Frankfort aan de Oder. Terstond na het optreden van Luther werd hij een van zijn heftigste tegenstanders. Hoogst waarschijnlijk zijn de 106 theses, die Tetzel tegen de stellingen van Luther verdedigde, door hem opgesteld. Op den Rijksdag van Augsburg in 1530 was hij een der godgeleerden, die na de aanneming der „Confessio Augustana" met het bewerken van de „Confutatio" (wederlegging) werden belast. Hij overleed op de terugreis van dezen Rijksdag den 17dcn Mei 1531 in het klooster Amorbach. Zijn belangrijkst geschrift is de: „Anacaephalaeosis sectarum, errorum etc." (1528), een van de belangrijkste strijdschriften tegen de „Luthersche ketterij" en een hoofdbron voor de kennis der R. Katholieke theologie vóór het Concilie van Trente.

Winchester, een stad in het Engelsche graafschap Hampshire, ligt aan de Itching, 18 km. ten noordoosten van Southampton, is een der oudste steden van Engeland en de zetel van een bisschop, heeft een hoofdkerk, die van 1079—1486 in zeer verschillende bouwstijlen (van den Angelsaksischen tot den laatsten spitsboogtrant) opgetrokken en een der grootste Engelsche kerken is, met gedenkteekenen van Saksische en Normandische koningen, een college, in 1387 door Wykeham gesticht, een school voor kunst, groote kazernes, in 1683 door Wren gebouwd en oorspronkelijk tot een paleis voor Karei 11 bestemd, een museum, een korenbeurs, eenige rechtbanken, onderscheiden instellingen van weldadigheid en (1901) 20 929 inwoners. Men vindt er een aantal oudheden, zooals de hal van het oude slot, waarin men de tafel aanwijst, waar volgens de overlevering koning Artur zich met zijn ridders verzamelde. Ook vindt men er de ruïne van een oud bisschoppelijk paleis. Een km. ten zuiden van Winchester verheft zich het in 1136 gestichte, thans prachtig gerestaureerde Hospital of St. Cross. Winchester is het Romeinsche Venta Belgarum en het oud-Britsche Caer Gwent (Witte Stad) en werd door de Angelsaksen Wintanceaster genoemd. Deze stad was de hoofdstad van het ko¬

ninkrijk Wessex en bleef gedurende langen tijd een van de voornaamste steden van Engeland. Vooral wegens haar markten en als stapelplaats van den wolhandel was zij van veel belang. Toen echter Hendrik 111 Londen tot residentie koos, kwam zij allengs in verval. In 1644 werd zij door de troepen van het Parlement i genomen en geplunderd.

Winckel, Franz, een Duitsch geneeskundige, geboren den 5den Juni 1837 te Berleburg in Westfalen, studeerde te Berlijn, werd er in 1860 assistent bij de kliniek der vrouwenafdeeling en zag zich in 1864 benoemd tot hoogleeraar te Rostock, in 1872 tot directeur van het koninklijke verloskundige instituut te Dresden en in 1883 tot hoogleeraar en directeur van de vrouwenkliniek te München.In 1907 nam hij zijn ontslag. Behalve talrijke opstellen in tijdschriften leverde hij: „Die Pathologie und Therapie des Wochenbetts" (3de druk 1878), „Klinische Beobachtungen zur Pathologie der Geburt" (1868), „Die Krankheiten der weiblichen Harnröhre und Blasé" (2de druk, 1885), „Lehrbuch der Frauenkrankheiten" (2de druk, 1890), „Lehrbuch der Geburtshilfe" (2de druk, 1893), „Die Pathologie der weiblichen Sexualorgane" (1878—1881, met 42 lichtdrukken) en „Die königliche Universitatsfrauenklinik in München 1884—1890" (1892). Met eenige vakgenooten gaf hij een „Handbuch der Geburtshilfe" (3 dln., 1903—1907), bezorgde verder de latere drukken van „Die erste Mutterpflichten" van Ammon en leidde na den dood van Volkmann met Bergmann en Erb de uitgave van de „Sammlung klinischer Vortrage."

Winckell, Georg Franz Dietrich aus dem, een Duitsch schrijver over boschcultuur en jacht, geboren den 2den Februari 1762 op het riddergoed Priorau in Saksen, studeerde te Leipzig in de rechten, maar bepaalde zich vervolgens bij de boschcultuur. In 1792 werd hij kamerjonker te Dessau, legde in 1802 zijn betrekking aan het Hof neder en begaf zich naar Obernitzschka bij Wurzen en in 1807 naar Machern. Door aanbeveling van Moritz von Thümmel aan den vrijheer von Thüngen in Franken, verkreeg hij in 1815 het bestuur over de bosschen van laatstgenoemde, vestigde zich in 1832 te Schierau bij Dessau en overleed aldaar den 31sten Mei 1839. Zijn belangrijkst geschrift is: „Handbuch für Jager und Jagdliebhaber" (3 dln., 1804—1805)

Winckelmann, Johann Joachim, een Duitscb oudheidkundige, geboren den 9den December 1717 te Stendal in de Altmark, was de zoon van een schoenmaker, bezocht eerst de school in zijn geboortestad,. daarna een gymnasium te Berlijn, studeerde te Halle in de godgeleerdheid en oude letteren, te Jena in de wis- en geneeskunde, werd in 1742 huisonderwijzer te Hadmersleben bij Halberstadt, in 1743 conrector te Seehausen in de Altmark en in 1748 bibliothecaris van den Saksischen minister graaf von Bünau te Nöthnitz bij Dresden. Het aanbod van den pauselijken nuntius te Dresden, Archinto, om hem een betrekking te bezorgen aan de bibliotheek te Rome, bewoog hem in 1754 tot de R. Katholieke Kerk over te gaan. Hij vertoefde echter i nog een jaar te Dresden, waar hij zich met de studie l der kunst bezig hield. Als eerste vrucht van deze i verschenen zijn: „Gedanken über die Nachalimuni gen der griechischen Werke in der Malerei und Bild: hauerkunst" (1754; 2de druk, 1756). Alle bedenkin• gen, daartegen ingebracht, verzamelde hij zelf in

Sluiten