Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Windroer. Zie Windbuks.

Windroos of Kompasroos is de naam van een teekening van de verschillende windstreken op een cirkelvormig stuk papier, dat onder de magneetnaald van een kompas (zie aldaar) gelegd wordt. Op den buitensten rand van den cirkel is meestal een verdeeling in 360° aangebracht, daarbinnen is de omtrek verdeeld in 32 afdeelingen, elk van llx/4 De namen van deze 32 afdeelingen of windstreken zijn uit de namen van de 4 hoofdrichtingen afgeleid. Dit geschiedde reeds ten tijde van Karei den Groote. Tusschen de 4 hoofdrichtingen noorden, oosten, zuiden, westen, liggen de 8 windstreken noordoost, zuidoost, zuidwest en noordwest, tusschen deze en de 4 hoofdrichtingen liggen de 8 windstreken: noordnoordoost, oostnoordoost, oostzuidoost, zuidzuidoost, zuidzuidwest, westzuidwest, westnoordwest en noordnoordwest. Meestal is het aanduiden met een van deze 16 namen voldoende, voor een nauwkeuriger aanwijzing heeft men tusschen deze 16 windstreken nog 16 ingevoegd. Deze 32 windstreken heeten nu achtereenvolgens: noord, noord ten oosten, noordnoordoost, noordoost ten noorden, noordoost, noordoost ten oosten, oostnoordoost, oost ten noorden, oost, oost ten zuiden, oostzuidoost, zuidoost ten oosten, zuidoost, zuidoost ten zuiden, zuidzuidoost, zuid ten oosten, zuid, zuid ten westen, zuidzuidwest, zuidwest ten zuiden, zuidwest, zuidwest ten westen, west ten zuiden, west, west ten noorden, westnoordwest, noordwest ten zuiden, noordwest, noordwest ten noorden, noordnoordwest, noord ten westen.

Windscheid, Bernhard Joseph Hubert, een Duitscli rechtsgeleerde, geboren den 26sten Juni 1817 te Düsseldorf, studeerde te Bonn en te Berlijn in de rechten, promoveerde te Bonn en vestigde zich in 1840 aldaar als privaatdocent. In 1847 werd hij er tot buitengewoon hoogleeraar benoemd, vertrok in datzelfde jaar als gewoon hoogleeraar naar Bazel, in 1852 naar Greifswald, in 1857 naar München, in 1871 naar Ileidelberg en in 1874 naar Leipzig. In 1874 benoemde de Bondsraad hem tot lid van de commissie tot bewerking van het burgerlijk wetboek voor het Duitsche rijk, aan welk werk hij van 1879— 1883 zijn krachten wijdde. In laatstgenoemd jaar echter liet hij dit werk varen om het hoogleeraarsambt weder op te nemen. Hij overleed den 20tcn October 1892 te Leipzig. Hij schreef o. a.: „Lelirbuch des Pandektenrechts"(3 dln., 1862—1870, register, 1874), „Zur Lehre des Code Napoléon von der Ungultigkeit der Rechtsgeschafte"(1847), „Die Lehre des römischen Rechts von der Voraussetzung" (1850), „Die Actio des römischen Zivilrechts"(1856), „Die Actio Abwehrgegen Th. Muther"(1857), „Wille und Willenserklarung"(1878) en „Karl Georg von Wachter"(1880). Zijn redevoeringen en verhandelingen werden verzameld uitgegeven door Oertmann (1904).

Windsor of New-Windsor, een stad in het Engelsche graafschap Berks, ten westen van Londen, op den rechter oever van de Theems, over welke aldaar een brug is gelegd naar het dorp Eton, beroemd wegens zijn school, heeft een stadhuis, een schouwburg, kazernes, een Latijnsche school en (1901) 14 130 inwoners. Deze stad is merkwaardig wegens het aldaar gelegen koninklijk kasteel Windsor Castle, op een heuvel zich verheffend, aan welks voet een standbeeld voor koningin Victoria is opge¬

richt. Reeds de Angel-Saksische vorsten bezaten een paleis te Windsor, maar Eduard de Belijder schonk dit aan de Westminsterabdij. Willem de Veroveraar kreeg door ruiling Windsor weder in bezit en bouwde het kasteel, dat Eduard III, die er was geboren, door Willem van Wijkeham geheel deed vernieuwen. Elizabeth hield er dikwijls haar verblijf. Karei I werd te Windsor bijgezet en Iiarel II vertoefde er doorgaans des zomers. Het kasteel is zijn tegenwoordige gedaante en inrichting verschuldigd aan George IV, die aanzienlijke sommen aan de restauratie besteedde. Het geheel beslaat een oppervlakte van nagenoeg 5 H.A. en is verdeeld in twee hoven, die door den Ronden Toren van elkander gescheiden zijn. Uit den Bovenhof komt men op een terras met een prachtig uitzicht. Aan zijn noordzijde liggen de staats- en audiëntiezalen, aan de oostzijde de vertrekken van den koning en aan de zuidzijde de kamers der voornaamste hofbedienden. De Benedenhof bevat de St. George's kapel (1474 begonnen), door een onderaardsche gang met het mausoleum verbonden. De zalen en verdere vertrekken van het kasteel zijn fraai gedecoreerd en met kostbare schilderijen versierd. In de St. Georgezaal (60 m. lang) hebben de plechtigheden der Orde van den Kouseband plaats, in de Waterloozaal hangen de portretten van staatsmannen en legerhoofden, die zich in de jaren 1813—1815 verdienstelijk hebben gemaakt. In het Kleine Park, bij het kasteel gelegen (ruim 20 H. A. groot), ligt Frogmore, een koninklijk buitenverblijf, en het Mausoleum van prins Albert (van Grüner). Het Groote Park (720 H.A. groot) is doorsneden van een laan ter lengte van 4 km., aan wier uiteinde zich een ruiterstandbeeld van Georg III (van Westmacott) verheft. Ook heeft men in dat park het Virginia Water, een kunstmatigen vijver in een schilderachtige omgeving.

Windstreken cf Hemelstreken. Zie Windroos, \

Windthorst, Ludurig, een Duitsch staatsman, geboren den 17den Januari 1812 te Osterkappeln bij Osnabrück, werd op het Carolinum te Osnabrück voorbereid voor den geestelijken stand, maar studeerde vervolgens van 1831—1834 te Göttingen en te Heidelberg in de rechten. Hij vestigde zich als advocaat te Osnabrück, werd in 1848 „Oberappelationsgerichtsrat" te Celle, in 1849 lid van de Tweede Kamer in Hannover, waar hij de politiek van Stüve tegen Pruisen ijverig ondersteunde, in 1851 als leider der ministerieele partij voorzitter van de Tweede Kamer en den 22sten November van dat jaar minister van Justitie in het Kabinet Schele. Als zoodanig bevorderde hij de stichting van het bisdom Osnabrück en de plaatsing van R. Katholieke personen aan het Hof. In 1853 legde hij de portefeuille neer en werd weer afgevaardigde, terwijl hij zich tevens bezig hield met staatsrechtelijke werkzaamheden ten behoeve van Vorstelijke Huizen, belastte zich in 1862 in het ministerie Brandis-Platen nogmaals met de portefeuille van Justitie, ondersteunde de bemoeiingen van Oostenrijk, om Hannover aan zich te verbinden, werd in October 1865 „Kronoberanwalt" te Celle, legde na de annexatie van 1866 zijn betrekking neder en onderhandelde in 1867 met Von Bismarck over een schikking met koning Georg, waardoor het verdrag van den 29sten September 1867 tot stand kwam. Sedert laatstgenoemd jaar was hij ook lid van den Noord-Duitschen Rijksdag en van het Pruisische Huis van Afgevaardigden. Aanvankelijk stelde

Sluiten