Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toelaatbaar is bij gemeente-verordening strafbaar te stellen het openhouden des avonds of des Zondags van eene verkoopgelegenheid. De wenschelijkheid van zulk een dwang wordt dan betoogd door de onmogelijkheid om langs den weg der overreding en van afspraken den winkelier over te halen tijdig 's avonds of Zondags te sluiten, tot verkorting van eigen arbeidsduur en van dien zijner bedienden. Gewezen wordt dan op den in Duitschland bestaanden sluitdwang en op het feit, dat daar de ongewenschte gevolgen van den maatregel, die men vreesde, zijn uitgebleven. De verordening zou den winkelier tegen zich zelf moeten beschermen, zoo meent men. Vrijwillige afspraken of besluiten van eene winkeliersvereeniging hebben alleen ten gevolge, dat Zondags of 's avonds tijdig, bv. om 8 of 9 uur, gesloten wordt door dien winkelier, wiens clientele bij voorkeur zijn winkel op die tijden niet bezoekt. Juist in de volksbuurten is echter de lange arbeidsdag voor den winkelier en diens gezin een euvel, waarvan alleen een wettelijk verbod hem kan verlossen.

De tegenstanders van de in Nederland voorgestelde maatregelen zijn in de eerste plaats zij, die den gemeenteraad het recht ontzeggen om dit wetgevend gebied te betreden. Anderen zijn gekant tegen elke overheidsbemoeiing op dit gebied, terwijl wederom anderen het onmogelijk oordeelen eene regeling te treffen, die onderscheid maakt tusschen de zeer verschillende belangen van de velerlei soorten van winkeliers, en die ten opzichte van de Zondagsluiting een toestand in het leven zou roepen, die alleszins billijk zou zijn tegenover de Israëlieten. Sedert de helft van September 1911 is te Amsterdam eene gemeente-verordening van kracht geworden, die het openhouden van verkoopgelegenheden 's avonds na 9 uur verbiedt.

Winkelvereeniging'en. Zie Coöperatie.

Winkler, Ilarl Gottfried Theodor, een Duitsch schrijver, bekend onder het pseudoniem Theodor Heü, geboren den 9aen Februari 1775 te Waldenburg in het land van Schönburg, studeerde te Wittenberg in de rechten, en woonde sedert 1796 te Dresden, waar hij verschillende betrekkingen bij het archief, bij de academie voor kunst en bij den schouwburg bekleedde en sedert 1841 vice-directeur van den hofschouwburg was. Hij overleed te Dresden den 24sten September 18B6. Van zijn talrijke geschriften vermelden wij: „Lyratöne" (2 dln., 1821), „Neue Lyratöne" (2 dln., 1830), een vertaling der „Lusiade" van Camoens (1807, met F. A. Kuhri) en van den „Mazeppa" van Byron (1820). Verder redigeerde hij de jaarboekjes: „Penelope" (sedert 1811), „Komus" (3 jaargangen) en „Agrionien", leverde vele bijdragen in andere jaarboekjes en stond daarenboven aan het hoofd van de redactie der „Abendzeitung" (1817—1843). Ook schreef hij voor het tooneel: „Bianca von Toledo" (180(5) en „Strudelköpfchen" (1805), alsmede een groot aantal vertalingen van Fransche tooneelstukken en opera's.

Winkler, Tiberius Cornelis, een Nederlandsch natuurkundige, geboren te Leeuwarden den 28",en Mei 1822, vestigde zich in 1852 na het afleggen van een provinciaal examen voor genees-, heel- en verloskunde als geneesheer te Nieuwediep en vervolgens in 1856 t« Haarlem. Door toevallige omstandigheden daartoe gebracht, legde hij zich toe op de

studie der ichtliyologie, en schreef een reeks van opstellen over onderscheiden visschen, die in het „Album der Natuur" werden opgenomen. Een paar jaar later bestudeerde hij de verzameling der fossiele visschen uit Oeningen, die in Teyler's museum en in dat van prof. van Breda te Haarlem werden bewaard. In 1860 werd een verhandeling van hem, onder den titel van „Description de quelques espèces nouvelles de poissons fossiles d'Oeningen", door de Hollandsche Maatschappij der "Wetenschappen te Haarlem, als antwoord op een prijsvraag, met goud bekroond, en in 1861 een „Verhandeling over fossiele visschen van Solenhofen", evenals de bovengenoemde, in de „Verhandelingen" der genoemde Maatschappij opgenomen. Vervolgens tot de studie der palaeontologie overgaande, werd hem door directeuren van Teyler's Stichting opgedragen, hun verzameling van fossielen te catalogiseeren en te rangschikken. Van dat werk was zijn „Catalogue svstématique de la collection paléontologique dumusée Teyler" (Tom. I—VI et supplément I—IV) de vrucht. In 1864 werd hij benoemd tot conservator van Teyler's geologisch, mineralogisch en palaeontologisch museum en tot lid van de Holl.Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, en ontving tevens van de universiteit te Groningen eershalve den titel van doctor in de wis- en natuurkunde. Vervolgens werd hij lid van onderscheiden binnen- en buitenlandsche geleerde genootschappen. In 1878 hield hij op het Congrès géologique international te Parijs een rede „Sur 1'origine du sable campinien, du zanddiluvium et des dunes maritimes des PaysBas". Hij overleed den 18den Juli 1897. Hij schreef een aantal monografieën over fossiele visschen, reptielen en schaaldieren, waarvan enkele werden opgenomen in de werken der Société géologique de Belgique en in de Verhandlungen der Naturhistorischen Gesellschaft in Mecklenburg, de meeste echter in de „Archives du Musée Teyler", verder noemen wij van hem: „Natuurlijke geschiedenis van het dierenrijk, zoogdieren en vogels" (1860), „Zand en duinen" (1865), „Op en in de aarde" (1866, 4de druk, 1884), „De schatten van den aardbodem" (1869), „Luchtverschijnsels" (1872), „Duiven, postduiven en haar africhting" (1872), „Het lichaam van den mensch" (1873), „Handboek voor den verzamelaar" (1880), „Moeder en kind" (1879), „Dokter en patiënt" (1880), „De mensch vóór den zondvloed" (1884), „Gids voor den bezoeker van Teyler's Museum" (1887, 1888), „Darwin, Biologische meesterwerken" (met H. Hartogh Heys van Zouteveen, 7 dln., 1890—1895), „De gewervelde dieren van het verleden. Palaeontologische studiën in Teyler's Museum" (1893) en „De Pithecanthropus erectus Dubois" (1896). Ook schreef hij talrijke opstellen in het „Album der Natuur", het „Pantheon", „De Letteroefeningen", „De Gids" en „Wetenschappelijke Bladen", alsmede, behalve een paar kleine opstellen, het geheele werk, getiteld „Kennis en Kunst" (1867—1871). Bovendien vertaalde hij in 1860 Darwiris „Origin of species", in 1873 „The Geological Evidences" van Lyell en schreef hij een „Handboek voor de geologie en palaeontologie" naar Page (1875).

Winkler, Johan, een Nederlandsch taal- en oudheidkundige, een broeder van den voorgaande, geboren te Leeuwarden den 12den September 1840, ontving zijn opleiding van de klinische scholen te

Sluiten