Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schriften noemen wij: „Joliannes Gabrieli und sein Zeitalter"(3 dln., 1834), „Johannes Pierluigi von Palestrina"(1832), „Martin Luthers deutsche geistliche Lieder, nebst den wahrend seines Lebens dazu gebrauchlichen Singweisen"(1840), „Der evangelische Kirchengesang und sein Verhaltnis zur Kunst des Tonsatzes" (3 dln., 1843—1847), „Über Herstellung des Gomeinde- und Chorgesangs in der evangelischen Kirche"(1848) en „Zur Geschichte heiliger Tonkurst" (2 dln., 1850—1852). Zijn briefwisseling met Iirüger gaf Prüfer uit (1898).

Winterfeld. Adolj von, een Duitsch schrijver, geboren te Alt-Ruppin den 9den December 1824, trad in 1836 in krijgsdienst en werd in 1844 officier bij het tweede regiment kurassiers te Pasewalk, waar bijna al zijn humoristische vertellingen en soldatenromans spelen. Nadat hij in 1848 den veldtocht tegen Denemarken meegemaakt had, bezocht hij sedert 1850 de militaire academie te Berlijn en nam na het einde van den driejarigen cursus zijn ontslag uit den dienst. Hij vestigde zich te Berlijn en overleed aldaar den 8sten November 1889. Zijn letterkundige loopbaan begon hij met vertalingen uit het Zweedsch, het Plat-Duitsch en het Schotsch. Zeer bekend werden zijn humoristische soldatenvertellingen, zooals ,,Garnisongeschichten"(1856), „Soldatenlied, Soldatenlust"(2de druk, 1857), „Manövergeschichten"(3ae druk, 1863), „Spazierritt nach Jütland"(1864), „Humoresken für Sofa und Eisenbahnkoupé"(10 dln., 1868—1878), „Humoristische Soldatennovellen"(13 dln.) en „Neue humoristische Soldatengeschichten"(14 dln.). Van zijn romans vermelden wij: „Geheimnisse einer kleinen Stadt" (1863), „Der stille Winkel"(1865), „Die Reisen von Bambus und Kompagnie"(1863), „Ein gemeuchelter Dichter" (1867), ,,Modelle"(18_68), „Ein gutmüthiger Mephisto"(1868), „Fanatiker der Ruhe" (1869), „Der Elefant" (1870), „Moderne Odyssee"(1871), „Narren der Liebe"(1872), „Alte Zeit"(1873), „Onkel Sündenbock"(1873), ,,Grosz-Busekow"(1874), „Die Unzertrennlichen" (1874), „Scliwarze Menschenkinder"(1875),^ „Der Fürst von Montenegro"(1876), „Der alt Knast" (1876), „Der Mops"(1877), „Peter Pinsel" (4 dln., 1878), „Der König der Luft"(1879), „Zwei Erbfeinde"(1880), „Spanische Reiter"(188i), „Der Waldkater"(1883) en „Der Kamerad von der Garde" (1886). Op dramatisch gebied leverde hij o. a. de blijspelen: „Der Winkelschreiber"(1859) en „Der Hauptmann von Kapernaum"(1875). Eindelijk bewerkte hij in opdracht van prins Karei van Pruisen een „Geschichte des ritterlirfien Ordens St. Johannis vom Spital zu Jerusalem"(1859).

Winterfeldt, Hans Karl von, een Pruisisch generaal, geboren den 4den April 1707 te Vanselow in Voor-Pommeren, trad reeds op 16-jarigen leeftijd als jonker in dienst bij een kurassiersregiment, werd vervolgens geplaatst bij de garde-infanterie en zag zich in 1740 door Frederik 11 tot majoor en vleugeladjudant benoemd. Bij den aanvang van den veldtocht van 1741 voerde hij bevel over een bataljon grenadiers, dat deel nam aan de bestorming van Glogau en zich in den slag bij Mollwitz onderscheidde. Nadat zijn daarbij ontvangen wond genezen was, werd hij bevorderd tot kolonel en adjudant-generaal en leidde den 228ten Juni het schitterend gevecht bij Rothschlosz tegen den Oostenrijkschen generaal Baronay. Gedurende den veldtocht van 1745 le¬

verde hij aan de Hongaarsche troepen bij Slawentzitz den llden April een roemrijk gevecht, in Mei 1745 vocht hij teg§n generaal Nadasdy bij Landshut, waarna hij tot generaal-majoor werd benoemd. Ook werkte hij mede tot de overwinningen bij Hohenfriedberg en Katholisch-Hennersdorf. In de daarop volgende jaren van vrede was hij adjudant-generaal en vertrouweling van den koning, die hem meermalen met diplomati ke zendingen belastte. In 1756 werd Winterfeld luitenant-generaal en kort daarna gouverneur van Kolberg. In datzelfde jaar sloot hij met den Saksischen veldmaarschalk Rutouiski de capitulatie van Pirma, in den volgenden winter dekte hij de bergpassen van Landeshut in Silezië. in den slag bij Praag voerde hij bevel over de infanterie van den linker vleugel, werd door een schot aan den hals gewond, belastte zich na zijn herstel met het kommando over den rechter vleugel der onder Keith voor Praag gelegen troepen en vergezelde prins August Wilhelm bij den terugtocht naar de Lausitz, waar hij onder Bevem bevel voerde over een der korpsen. Toen dit korps gedurende zijn afwezigheid te Görlitz den 7den September 1757 van den Jakelsberg bij Moys verdreven werd, ontving hij, bij de poging om die hoogte stormenderhand te heroveren, een schot in de borst, waaraan hij den volgenden morgen overleed. Op het Wilhelmsplein te Berlijn werd een gedenkteeken voor hem opgericht.

Wintergroen (Pyrola L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Pyrolaceeën (zie aldaar). Het onderscheidt zich door een 5-slippigen kelk, 5 afvallende bloembladeren, lOmeeldraden, een bovenstandig vruchtbeginsel met een stijl en een stempel en een 5-hokkige doosvrucht. In ons land vindt men zelden het eenbloemig wintergroen (P. unvjlora L.) in schaduwrijke bosschen, — het rondbladig wintergroen (P. rotundifolia L.) met 6 tot 12 van onder eenigszins bleeke wortelbladeren, uit wier midden een hier en daar met een schubbetje bedekte bloemstengel oprijst, welke 5 of 6 witte rozenroode, tot een tros vereenigde bloemen draagt; deze plant is op vochtige plaatsen in bosschen, op 'begroeide zandgronden en in duinpannen te vinden, — en het kleine ivintergroen (P. minor L.) met veel kleinere bloemen dan de voorgaande soort, dat gewoonlijk in bosschen groeit.

Winterhalter, Fram Xaver, een Duitsch schilder, geboren den 20s,en April 1805 te Men zenwand bij St. Blasien in het Schwarzwald, ontving zijn opleiding tot kopergraveur te München, bepaalde zich vervolgens onder de leiding van Stieler tot het portretschilderen, terwijl hij door lithografeeren in zijn onderhoud voorzag. Nadat hij in 1828 naar Karlsruhe ijvas verhuisd en uitmuntende portretten geleverd had van groothertog Leopold en diens gemalin Sophie, werd hij tot hofschilder benoemd en ontving de middelen om zich door een verblijf te Parijs en in Italië verder te ontwikkelen. Zijn verblijf in Italië levetde hem de motieven voor een aantal genrestukken, zooals: „Het meisje van Ariccia", „Het Dolce far niente", „Een visschersfamilie in de middagzon", „De Decamerone", enz. Later wijdde hij zich nagenoeg uitsluitend aan het portretschilderen en kreeg een groot aantal opdracht'n van vorstelijke personen, vooral nadat hij de be< ltenissen van Lodewijk Philips, konii g van Frankrijk, en diens gemalin Amalia vervaardigd had. In E' geland schilderde hij het koninklijk gezin op het terras

Sluiten