Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste stuk: „Overvloed en ellende" werd aangekocht voor het museum te Dresden. Toen hem vervolgens een jaargeld was toegekend, begaf hij zich over München en Weenen naar Italië, waar hij de kunstwerken der oude meesters bestudeerde. Na zijn terugkeer vestigde hij zich te Weimar, waar hij vervolgens hulpleeraar werd aan de school voor sehoone kunsten. Hij leverde er een groot carton: „Het bacchanaal der Goden" voor een plafondschildering in het huis van dr. Friederici te Leipzig, verder de stutten in olieverf: „De nacht" voor den groot-hertog, „De fantasie, door de droomen gedragen" voor graaf Schack te München, „De vier Evangelisten" voor een kapel te Weimar, vele portretten en onderscheiden teekeningen, zooals: „Helios en de twaalf maanden" (13 platen voor dr. Max Jordan te Berlijn), „Gloriezaal van Duitsche dichters" in het museum te Weimar, „De vloed van Deucalion", ook aldaar, „Prometheus" in het museum te Leipzig, en twee groote stukken voor het trapportaal in het Romeinsche Huis te Leipzig. In 1868 werd hij professor aan de academie te Düsseldorf. Hier schilderde hij: „De vier jaargetijden", „Germania", „De Rijn en Lorelei", ontwerpen voor muurschilderingen, enz. In 1877 kreeg in den wedstrijd voor do beschildering van de keizerzaal te Goslar met tafereelen uit de Duitsche geschiedenis en de sage zijn ontwerp den eersten prijs. Tot 1897 was hij aan de versiering van dit gebouw werkzaam. Hij overleed den 25sten April 1899 te Goslar.

Wismar, de tweede zeehaven en koopstad van het groothertogdom Mecklenburg Schwerin, ligt aan het zuidelijk uiteinde van een door het eiland Poel beveiligde baai der Oostzee en aan twee spoorwegen. De voornaamste gebouwen zijn: de Mariakerk in spitsboogstijl met een toren ter hoogte van 80 m., de kerk van St. George, de Nikolaïkerk, de kerk van den H. Geest, het stadhuis met verwuifde kelders, de „Alte Schule", een gebouw uit de 14de eeuw, dat thans tot een museum van oudheid is ingericht, de Waterpoort en het vorstelijke hof, vroeger de residentie van de hejtogen, thans een rechtbank. Wismar bezit een gymnasium, een reaalschool, een school voor nijverheid, een schouwburg enz. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 21 902. Er is veel nijverheid en handel. Men vindt er een waggonfabriek, een ijzergieterij, fabrieken voor machines, schaafmachines, papier, suiker, mout, azijn, kachels, asfalt, cement, touw, cichorei, paardeliaar, spiritus, bier enz. Wismar heeft een eigen vlag, een eigen wetgeving en een vrij stedelijk bestuur. Vijf km. ten N. W. ligt de badplaats Wendojf. Wismar ontving in 1229 stedelijke rechten van Schwerin, in 1266 van Lubeck, zij kwam in 1301 aan Mecklenburg, voegde zich bij de Ilansa en werd weldra een aanzienlijke plaats. In de 16de eeuw echter kwam zij in verval. Bij den Vrede van Munster (1648) werd zij aan Zweden afgestaan. In 1675 werd zij door de Denen belegerd en bij capitulatie ingenomen, maar in 1678 door de veroveraars veriatim, doch in 1712 weder door de Denen, en in 1716 door de Denen, Pruisen en Hannoveranen belegerd. Hongersnood noodzaakte de bezetting tot de overgave, en de vestingwerken werden daarop gesloopt. In 1803 werd de heerlijkheid Wismar door Zweden aan Mecklenburg Schwerin voor 174 miliioen taler in pand gegeven. In 1897 werd de stad onder

do landstanden opgenomen. In 1903 deed Zweden afsta°d van zijn recht het pand Wismar weder in te lossen.

Wissekerke of Wissenkerke, een gemeente in de provincie Zeeland, 5040 H. A. groot met (1910) 3310 inwoners, maakt het westelijk gedeelte van het eiland Noord-Beveland uit. Zij wordt begrensd door de Oosterschelde, het Veersche Gat, de Zuidvlrt en door de gemeenten Kortgene en Kolijnsplaat. Op den vruchtbaren kleibodem wordt landbouw uitgeoefend. Het gebied is door inpoldering ontstaan. De oudste inpoldering dagteekent. van 1652, in de 17de en 18de eeuw werden herhaaldelijk nieuwe gedeelten bedijkt. Tot de gemeente behooren de dorpen Wissekerke en Kamperland, de buurten Kampens-Nieuwland en Geersdijk en het gehucht Kamperlandsche Veer.

Het dorp Wissekerke bezit een Hervormde en een Gereformeerde kerk. Het vroegere dorp, dat door de zee werd weggeslagen, lag meer zuidwaarts.

Wissel of wisselbrief is een veelvuldig gebruikt handelspapier, waarvan de strekking is: de betaling van schulden tusschen personen, die opuverschillende plaatsen wonen, te vergemakkelijken. Het gebruik van wissels is zeer oud. Volgens sommigen dateeren zij reeds van de Phoeniciërs, maar zeker is het, dat de kooplieden in Italië, bepaaldelijk in Genua en Florence, reeds in de 12de eeuw wissels gebruikten. De oorsprong van den wissel wordt dikwijls aldus voorgesteld, dat de Italiaansche koopman, die een markt in Frankrijk wilde bezoeken, maar de wegen niet veilig genoeg achtte om een groote geldsom mede te dragen, zijn geld stortte bij een wisselaar in de plaats van vertrek en dan van dezen een papier ontving, waarmee hij op de plaats van bestemming bij een compagnon of handelsvriend van den wisselaar een gelijk bedrag in de munt van die plaats kon in ontvangst nemen. De wissel was dus inderdaad een middel om zijn geld tegen vreemde munt te msselen. Aan dezen oorsprong van den wissel is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat volgens de Nederlandsche wet een wissel in een andere plaats betaalbaar gesteld moet zijn dan waaruit hij is getrokken of afgegeven, een eisch, dien de meeste buitenlandsche wetgevingen niet meer stellen. Een papier, in dezelfde plaats betaalbaar gesteld, maar overigens den vorm van een wissel dragende, is geen wissel, maar een assignatie (zie aldaar). Artikel 100 van het Wetboek van Koophandel omschrijft den wisselbrief als een geschrift, uit een plaats gedagteekend, waarbij de onderteekenaar iemand last geeft om een daarin uitgedrukte geldsom in een andere plaats, op of na zicht, of op een bepaalden tijd aan een anderen persoon of aan deszelfs order te betalen, met erkenning van ontvangene waarde of van waarde in rekening. Aan deze omschrijving voldoet dus het volgende wisselformulier:

Amsterdam, 10 September 1911. Goed voor ƒ1000.

Op 15 November e. k. gelieve U te betalen voor dezen mijnen wisselbrief aan den Heer C. of order de som van duizend gulden, waarde genoten, en stelt het op rekening met of zonder advies.

Den Heer B. te Groningen. A.

In dezen wissel is A de trekker, B de betrokkene, C de nemer. Daar de wissel aan order is gesteld, kan C vóór den vervaldag den wissel overdragen door een verklaring, die op de achterzijdevan den wissel,wordt gesteld (endossement; zie aldaar). Endosseert O aan

Sluiten