Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maximen van de Republieke van Holland" van De la Court (1669), waarvan De Wilt waarschijnlijk slechts 2 hoofdstukken heeft geschreven. Zijn brieven verschenen van 1723—1725 in 6 dln., sedert 1906 worden zij uitgegeven door Tiuin. Over Jan de Witt verscheen verder: Geddes „History of the administration of John de Witt" (1879, dl. 1 van 1623 tot 1654) en Lefèvre Pontalis „Jean de Witt, grand pensionnaire de Hollande" (2 dln., 1884).

Witt, Cornelis Henri de, een Fransch geschiedkundige, geboren in 1828 te Parijs, bekleedde verschillende administratieve betrekkingen en legde zich tevens op geschiedkundige studiën toe. Van 1871—1876 was hij afgevaardigde naar de Nationale Vergadering, waar hij zich bij de rechter zijde voegde. In 1874 werd hij onderstaatssecretaris bij het ministerie van Binnenlandsche Zaken. Hij overleed te Parijs in 1889. Van zijn werken noemen wij: „Histoire de Washington et de la fondation de la république des Etats-Unis" (1855), „Thomas Jefferson" (1861) en „Le Société franijaise et la Société anglaise du XVIIle siècle" (1864).

Witt, Pauline de, geboren Guizot, de echtgenoote van den voorgaande, was een dochter van den staatsman Guizot, minister onder Louis Philippe, en werd in 1831 te Parijs geboren. Zij vertaalde een aantal werken uit het Engelsch en schreef anoniem „Guillaume le Conquérant ou 1' Angleterre sous les Normands" (1854).

Witt, Otto N., een Duitsch scheikundige van Russische afkomst, geboren den 318ten (19dcn) Maart 1853 te St. Petersburg, studeerde te Zurich, was van af 1875 in verschillende fabriekeninDuitschland, Zwitserland en Engeland werkzaam, vestigde zich in 1885 als privaatdocent aan de technische hoogeschool te Charlottenburg en werd aldaar in 1890 gewoon hoogleeraar en directeur van het Scheikundig technisch Instituut. Hij toonde het verband van de eigenschappen der teerverfstoffen met haar constitutieformule aan en ontdekte een aantal azo- en azineverfstoffen. Van zijn hand verschenen: „Die Diatomazeen der Polyzystinenkreide von Jérémie in Haïti" (met Truan y Luard, 1888), „Chemische Homologie und Isomerie in ihrem Einflusz auf Erfindungen" (1889), „Chemische Technologie der Gespinstfasern" (1888 en later), „Die deutsche chemische Industrie in ihren Beziehungen zum Patentwesen" (1893), „Die chemische Industrie auf der internationalen Weltausstellung zu Paris" (1902), „Die chemische Industrie des deutsclien Reichs im Beginn des 20. Jahrhunderts" (1902) en „Narthekion. Nachdenkliche Betrachtungen eines Naturforschers" (3 dln., 1901 —1908). In 1890 stichtte hij het weekblad „Prometheus" en sedert 1894 geeft hij het tijdschrift „Die chemische Industrie" uit.

Witt, Charlotle, een Duitsch tooneelspeelster, geboren dan 238ten April 1870 te Berlijn, speelde reeds vroeg kinderrollen en kreeg in 1886 te Mainz haar eerste engagement. Van 1889—1892 was zij verbonden aan den Stadsschouwburg te Elberfeld, daarna speelde zij te Hamburg, waar zij, behalve in de rol van naïve, ook optrad in die van salondames van het moderne en van jeugdige heldinnen van het klassieke tooneelspel (madame Sans-Gêne, Rautendelein enz.). In 1898 werd zij verbonden aan den Burgschouwburg te Weenen, waar zij in 1900 benoemd werd tot hoftooneelspeelster. Hier

treedt zij op in rollen, welke een sterke oorspronkelijkheid van gemoed of een gezonde, hartelijke opgewektheid verlangen (Alma in „Ehre", Hanne Schal in „Fuhrmann Henschel", Franziska in „Minna von Barnhelm" enz.).

Witte, Peter de, genaamd Pietro Candido, een Vlaamsch schilder van historische tafreelen, tevens architect en beeldhouwer, werd geboren te Brugge omstreeks 1548 en overleed te München in 1628. Ilij ging reeds op jeugdigden leeftijd naar Italië, waar hij den naam Candido aannam. In Florence leerde hij den bekenden schilder en schrijver Giorgio Vasari kennen, die hem onder zijn hoede nam. Met dezen ging hij naar Rome en kreeg door diens toedoen werk op het Vatikaan. Later teekende hij onder Vasari's leiding gobelins voor den Groothertog van Florence. Met zijn leermeester samen schilderde hij aan den Domkoepel te Florence. In 1578 kwam De Witte in dienst van Hertog Albert V van Beieren en (toen deze een jaar later overleed) van diens opvolger Wilhelm V en na diens aftreden werd hij hofschilder van Maximiliaan 1. De laatste liet met den bouw van het paleis die „Residenz" te München beginnen en gaf De Witte het oppertoezicht over alle daaraan werkzame artisten. Veel van het plastische werk aan dit gebouw is naar zijn ontwerpen gemaakt. Ook maakte hij de teekeningen voor gobelins, die in de Nederlanden vervaardigd werden en tafreelen uit de Ottonische geschiedenis weergeven. Deze teekeningen bevinden zich nog in München. Schilderijen van zijn hand bevinden zich o. a. in de musea te München, Schleissheim en Weenen.

Witte, Emanuel de, een Hollandsch schilder, voornamelijk van kerkinterieurs, maar ook wel van vischmarkten en portretten, werd geboren te Alkmaar (?) in 1617 en overleed te Amsterdam in 1692. Hij was een leerling van Evert van Aelst te Delft, doch onderging gedurende zijn verblijf aldaar tevens den invloed van Gerard Houckgeest en H. van Vliet en later te Amsterdam van Rembrandt. In 1636 was hij ingeschreven bij liet St. Lucas-gilde te Alkmaar, maar in 1639 en waarschijnlijk reeds voordien woonde hij te Rotterdam. Eenige jaren later, in 1641, was hij lid van het Delftsche St. Lucas-gilde. In 1650 woonde hij nog te Delft, doch in 1656 treffen wij hem reeds te Amsterdam aan, waar hij verder tot aan zijn dood verbleef. Emanuel de Witte is een onzer beste 17de eeuwsche architectuurschilders. Zijn werken zijn zeer juist van teekening en de figuurtjes zijn uitnemend. Schilderijen van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Mauritshuis te 's Gravenhage, het Rijksmuseum te Amsterdam en het Museum Boymans te Rotterdam.

Witte. Karl, een Duitsch rechtsgeleerde en letterkundige, geboren den l8ten Juli 1800 te Lochau bij Halle, trok reeds vroeg de aandacht door zijn buitengewone vorderingen in de kennis van vreemde talen en werd in 1810 als student te Leipzig ingeschreven. Weldra vertrok hij op verlangen van koni g Jeróme van Westfalen naar Göttingen en schreef er op 12-jarigen leeftijd een Latijnsche verhandeling over de conchoïde van Nicodemes, een kromme lijn van den vierden graad, waarop hij in 1814 den titel verkreeg van doctor in de wijsbegeerte. Hij 1 gde zich toe op oude en nieuwe talengeschiedenis, wiskunde, natuurkunde en wijsbegeerte en studeerde vervolgens, met een jaargeld van den koning van Pruisen, te Ileidelberg in de

Sluiten