Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten doel in woord en beeld een overzicht van het geheele moderne leven te geven. In staatkundig opzicht is „Die Woche" onzijdig. Hoofdredacteuren zijn (19Ó8) Paul Dóbert en O. Krach.

Wodan. Zie Odin.

Wodena. in het Bulgaarsch Vodena en in het Grieksch Vodina of Waterstad, van het Slavisch woord voda, dat water beteekent, is een stad in het Turksche vilajet en sar.dsjah Saloriki en verheft zich bij het westelijk rardgebirgt" van de vlakte van Macedonië, aan de oude Via Egnatia, aan de spoorlijn van Saloniki naar Monastir, op den top en aan den voet van een rots ter hoogte van 80— 100 m., waarvan de watervallen nederdalen in de afvoerrivier van de Mavroneri (Karasmak, vroeger Ludias of Rhoedias). Zij telt 10—14 000 inwoners en heeft vele kerken en moskeeën, tabakskerverijen en wol- en katoenweverijen. De boverstad is het aloude Aegaeae (later Aegae), de vroegste zetel der Macedonische koningen, totdat Philippus 11 dien naar het in de vlakte gelegen P< Ha verplaatste. Niettemin bleef de hooggelegen rotsburcht tot aan den ondergang van het rijk de begraafplaats der Macedonische koningen. De voorstad Edessa, beneden Aegaeae verrezen, breidde zich langzamerhand uit en verdrong later den ouden naam van de bovenstad. Sedert den inval der Bulgaren in Macedonië gaf men aan deze plaats den naam van Wodena.

Woeker noemt men in het algrmeen het misbruik maken van de verlegerheid, de lichtzinnigheid of de onervarenheid van it mai d bij het sluiten van een overeenkomst, om buitengewone voordeelen te behalen. Gewoonlijk verstaat men onder woeker het nemen van een buitergi woon hooge rente voor geleend geld. Oorspronkelijk noemde men het nemen van rente reeds woeker, later alleen het nemen van een rente, die hooger was dan die, welke de wet toeliet. Bij de geringe ontwikkeling van het geldelijk verkeer, zooals die vroeger was, werd slechts zelden geld geleerd om h(t productief te maken, meestal geschiedde dit alleen, wanneer iemand in ooeenblikkeliike verlegenheid verkeerde.

Daaruit is wel te verklaren, dat in zulk een geval het nemen van rente als strijdig met het natuurlijk zedelijk gevoel werd beschouwd. Aristoteles noemde de rente een onnatuurlijke wirst, daar het geld uit den aard der zaak onvruchtbaar was. Ook volgens de wet van Alozes was het de plicht van de Joden aan hun stamgenooten g( ld zonder rente te leenen. Bij de Romeinen heerschten verschillende bepalingen ; het anatocisme (zie aldaar) was echter verboden en er was bepaald, dat de schuldi ischer geen recht had meer interest te eischen, wanneer de achterstallige renten even hoog waren als het kapitaal (alterum tantum). De Christelijke Kerk nam de beschouwingen van de Joden over. Oorspronkelijk was het nemen van rente alleen aan de geestelijkheid verboden, in 443 verklaarde paus Leo dit ook voor de leeken verkeerd, het Corcilie te Vienne (1311) bedreigde het met uitsluitii g van het Avondmaal, ontnemirg van het recht een testament te maken en weigering van een kerk< lijke begrafenis. Het kanonnieke recht werd weldra door het wereldlijk recht ondersteund; ontduiking van het woekerverbod kwam echter veelvuldig voor. Toen met de verandering van de maatschappelijke verhoudingen sedert het einde van de Middeleeuwen steeds

meer bleek, hoe geleende geldkapitalen productief gemaakt konden worden, ontstond er een andere zienswijze en viel het absolute woekerverbod van zelf weg. In de meeste staten echter werd er een rentevoet vastgesteld, waarvan de overschrijding als woeker werd beschouwd en bestraft. Gewoonlijk bedroeg de maximum rente 5 %, voor kooplieden soms 6%. Sedert het einde van de 18ac eeuw werd het woekerverbod meer en meer bestreden op verschillende grorden o. a. omdat het vaststellrn van een overal passenden rentevoet onmogelijk is, dat de woekerwetten gemakkelijk ontdoken kunnen worden, dat de staten soms genoodzaakt waren de woekerwetten zelf te overtreden enz. Tengevolge daarvan werden in het midden van de 19de eeuw deze wetten in alle beschaafde landen, soms met erkfle uitzonderingen, opgeheven.

Woeker, Nationale vereeniging tot bestrijding van den, is de naam van een te 's Gravenliage gevestigde vereeniging, die in 1906 werd opgericht en in 1907 de koninklijke goedkeuring verkreeg. Zij tracht den woeker op verschillende wijzen tegen te gaan, o. a. door het uitgeven van geschriften over den woeker, door het stichten en het bevorderen der stichting van credietinstellingen voor mingegoeden, door aan te dringen op verbetering van bestaande credietinstellirgen, door propaganda te maken voor wettelijke bepalingen, die den woeker beperken enz. In verschillende plaatsen zijn comité's en correspondentschappen van de vereeniging gevestigd. Ook geeft zij een orgaan ,,Tegen den woeker" uit. In 1907 waren ongeveer 50 vereenigingen met ruim 40 000 leden aangesloten.

Woekerdieren en pariten. Zie Parasieten.

Woelen is een methode van grondverbetering, waarbij een plaatselijk in den ondergrond voorkomende, aan koolzure'kalk en oplosbare plantenvoedende aschbestanddeelen rijke klei, woelklei genaamd, wordt opgegraven en over den bovengrond wordt uitgespreid. Voor zoover deze bestaat uit kalkarme, dichte klei, wordt hij door die behandeling onder invloed van de koolzure kalk poreuzer, meer doorlatend voor water en gemakkelijker te bewerken. Tevens wordt de rijkdom aan oplosbaar plantenvoedsel en de toebereiding van plantenvoedsel er in het algemeen door bevorderd. De woelklei wordt — naar haar plaatselijke ligging — opgedolven uit groeven, „woelputten" geheeten, of uit goten, die den naam dragen van „woelen". Onder woelen wordt ook verstaan het bij de ontginning van dalgronden dikwijls noodige effenen van de oppervlakte van den zandgrond onder de daarover reeds uitgespreide bonkaarde.

Woemuis (Arvicola Lacep.) is een geslacht van de familie der Woelmuizen (Arvicolidae). Het zijn kleine dieren met plompen lichaamsbouw, tamelijk breeden kop, afgeronden sntfit en tameüjk dichtbehaarden staart, terwijl de achterpooten larger zijn dan de voorpooten. Zij leven in gangen en holen in den grond en verzamelen meestal een wintervoorraad; een winterslaap houden zij echter niet. De Boschwoelmuis (Arvicola [Ilypudaeus] glareolus Wagn.) is 10 cm. lang; de ooren komen duidelijk uit den pels te voorschijn. Op den rug is zij bruinrood, aan de buikzijde en ook aan de voeten scherp begrensd wit; ook de staart is tweekleurig. Zij bewoont de vlakten en lagere bergstreken van Middel-Europa, leeft in bosschen, parken enz. en

Sluiten