Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1884 eën expeditie in het land der Bakoeba; gedurende de ziekte van Wissmann leidde hij de expeditie bij het onderzoek van de Sankoeroe en de Lomani. Op last van de Duitsche regeerivg vertrok hij in 1887 naar het Togogebied; hier stichtte hij het station Bismarckburg. Hij schreef: „lm Innern Afrikas" (met Wissmann, v. Frangois en H. Muller, 1888) en „Die Verwertung unsrer aquatorialen Koloniën in Westafrika"(1889). Op een reis naar Dahomé overleed hij den 26sten Juni 1889 in het land der Bariba aan de koorts.

Wolf, Hugo, een Oostenrijksch componist, geboren den 31sten Maart 1860 te Windischgratz (Stiermarken), bezocht het conservatorium te Weenen en was daarna werkzaam als muziekcriticus aan het „Wiener Salonblatt". Als componist is hij vooral als liedertoonzetter van beteekenis. Een ernstig zenuwlijden maakte in 1896 aan zijn werk een einde. Hij publiceerde o. a.: „Goethelieder"(51 liederen), „Mörikelieder"(53 liederen), „Spanisches Liederbuch"(30 liederen van Geïbel en Ëeyse) en „Italienische Lieder"(46 liederen van Heyse in 2 dln.). Verder noemen wij de komische opera „Der Corregidor" (1896), het symfonisch gedicht „Peuthesilea" en de koorwerken: „Feuerreiter" en „Christnacht". Een tweede komische opera „Manuel Venegas" bleef onvoltooid. Hij overleed den 22sten Februari 1903 te Weenen.

Wolf, Iiarl, een Oostenrijksch staatsman, geboren den 28sten Januari 1862 te Trautenau, studeerde te Praag in de wijsbegeerte, was, nadat hij deze stad om staatkundige redenen had verlaten, gedurende eenigen tijd redacteur aan Spamefs encyclopaedie te Leipzig en trad in 1886 op als redacteur van de Duitsch-nationale „Deutsche Wacht" te Cilli (Beneden Stiermarken). Later ging hij over naar de „Deutsche Volkszeitung" te Reichenberg, in 1888 naar het nieuw opgerichte antisemietische „Deutsche Volksblatt" te Weenen, terwijl hij een jaar later aldaar de „Ostdeutsche Rundschau", een nationaal antisemietisch weekblad, oprichtte. In 1897 werd hij als partijganger van Schönerer door Trartenau afgevaardigd naar den Rijksraad, waar hij door zijn aandeel aan de oppositie tegen het ministerie-Badeni bekend werd. Wegens persoonlijke conflicten trad hij in 1901 uit de Al-Duitsche partij, legde zijn mandaat en ook de redactie van de „Ostdeutsche Rundschau" neder, maar werd den 15aen Januari 1902 in zijn kiesdistrikt opnieuw gekozen. Daarna trad hij op als leider van de AlDuitsche partij, waarvan de meerderheid voor hem had partij gekozen.

Wolf, Julius, een Duitsch staathuishoudkundige, geboren den 208ten April 1862 te Brüiln in Moravië, studeerde teWeenen en te Tubingen en vestigde zich in 1885 als privaatdocent te Zurich, waar hij in 1889 tot gewoon hoogleeraar benoemd werd. In 1897 vertrok hij als zoodanig naar Greifswald en nog in hetzelfde jaar naar Breslau. Aan den wetgevenden arbeid van den Zwitserschen Bond had hij herhaaldelijk aandeel; het brandewijnmonopolie, de hervorming van het papieren geld enz. kwamen onder zijn medewerking tot stand. Zijn letterkundige arbeid had aanvankelijk betrekking op de belastingen, daarna op het geld-, crediet-, bank- en beurswezen. Als staathuishoudkundige vertegenwoordigt hij wat hij het „ethisch individualisme" noemt, d. w. z. hij verdedigt de waarde van de ka¬

pitalistische voortbrengingswijze, al geeft hij de noodzakelijkheid van correcties door sociale hervorming toe. Van zijn werken noemen wij o. a. „Die Braintweinsteuer" (1884), „Zur Reform des schweizerischen Notenbankwesens" (1888), „Steuerreform im Kanton Zürich" (1897), „Sozialismus und kapitalistische Gesellschaftsordnung" (1892), het eerste deel van zijn „System der Sozialpolitik", waarin hij o. a. de „Verelendungstheorie" van Marx bestrijdt, „Der Kathedersozialismus und die soziale Frage" (1899), „Das deutsche Reich und der Weltmarkt" (1901) en „Nationalökonomie als exakte Wissenschaft" (1908).

Wolf, Max, een Duitsch astrophysicus, geboren den 218ten Juni 1863 te Heidelberg, studeerde aldaar en te Straatsburg, was van 1889—1890 onder Gyldèn te Stockholm werkzaam en vestigde zich in 1890 als privaatdocent te Heidelberg, waar hij in 1893 benoemd werd tot buitengewoon hoogleeraar en directeur van het onder zijn leiding op den Königstuhl gebouwde astrophysische observatorium. Reeds in 1879 had hij te Heidelberg een particulier observatorium opgericht, waar hij zich met de photografie van den hemel bezig hield. In 1884 ontdekte hij een periodieke komeet en sedert 1891, toen hij langs photografischen weg den 20Bten December als eerste een planetoïde (323) vond, meer dan 200 der kleine planeten. Verder paste hij de photografie toe op het opsporen van nevelvlekken, de studie van veranderlijke en nieuwe sterren, het zodiakaallicht enz. In 1902 werd hij gewoon hoogleeraar in de astro- en geo-physica te Heidelberg. Behalve vele bijdragen in de „Astronomische Nachrichten" en in Engelsche en Amerikaansche tijdschriften, verschenen van hem: „Die Differentialgleichung der mittlern Anomalie" (1889), „Sur les termes élémentaire dans 1'expression du rayon-vecteur" (1890), „Die Auszen-Nebel der Plejaden"

(1900), „Über die Bestimmung der Lage des Zodiakallichtes und der Gegenschein" (1900), „Die Entdeckung und Katalogisierung von kleinern Nebelflecken durch die Photographie" (1901) en „Die Photographie des Sternhimmels" (1904). Ook geeft hij de „Publikationen des astrophysikalischen Instituts zu Heidelberg" (3 dln., 19Ó2—1907) uit.

Wolf, Johannes, een Duitsch muziekschrijver, geboren den I7den April 1869 te Berlijn, studeerde aldaar in de Germaansche en de muziek-wetenscliappen, alsook in de praktijk der muziek, wasgedurende een aantal jaren praktisch werkzaam en legde zich daarna toe op het wetenschappelijk onderzoek in de verschillende bibliotheken van het vasteland van Europa. In 1902 vestigde hij zich als privaatdocent in de muziekwetenschappen te Berlijn, waar hij in 1908 werd benoemd tot buitengewoon hoogleeraar. Behalve een reeks verhandelingen in het „Vierteljahrsschrift für Musikwissenschaft", in HaberVs „Kirchenmusikalisches Jahrbucli", in het „Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederlandsche Muziekgeschiedenis" en in andere periodieken, noemen wij van hem: de uitgave van de „Musica practica Bartolomei Rami de Pareja"

(1901), „Johann Rudolph Ahles ausgewahlte Gesangswerke" (1901), „Georg Rhau. Neue deutsche geistliche Gesange für diegemeinen Schulen" (1908), „Heinrich Isaaks weltliche Werke" (1907) en „Geschichte der Mensuralnotation von 1250—1460 nach den theoretischen und praktischen Quellen"

Sluiten