Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overleed den 9den April 1754 te Halle. De verdienste van Wolff is vooral hierin gelegen, dat hij door zijn streng wiskundige methode orde, klaarheid en degelijkheid bracht in het geheel der wetenschap. Zijn streng rationalistische wijsbegeerte is eigenlijk niet anders dan een bevattelijke voorstelling van die van Leibniz, waardoor hij echter tevens diens metaphysischen grondslag ondermijnde, de monadologie. Ook jegens de Duitsche taal maakte hij zich verdienstelijk, daar hij de eerste was, die haar geschiktheid tot het aanduiden van wijsgeerige begrippen ontdekte en zuivere, verstaanbare volzinnen schreef. Het wijsgeerig denken in Duitschland in de 18de eeuw werd langen tijd bijna alleen door hem beheerscht en zelfs in Kants „Kritik der reinen Vernunft" is zijn invloed merkbaar. Het aantal zijner geschriften is zeer groot. Hij behandelde alle wiskundige en wijsgeerige wetenschappen in een dubbele reeks van werken; uitvoerig in het Latijn en beknopt in Duitsche leerboeken, welke bijna alle „Vernünftige Gedanken etc." getiteld zijn. Zijn stelselmatige geschriften over de verschillende afdeeli gen der wijsbegeerte tellen 22 kwarto deelen.

Wolff, Kaspar Friedrich, een Duitsch ontleedkundige en physioloog, de grondlegger der moderne ontwikkelingsfeer, geboren in 1733 te Berlijn, studeerde aldaar en te Halle en promoveerde in 1759 op zijn beroemd proefschrift „Theoria generationis" (Duitsche vertaling door Samassa, 1896), waarin hij de leer der epigenese, de geleidelijke, trapsgewijze ontwikkeling der kiem uit een zeer eenvoudigen toestand door nauwkeurige waarnemingen staafde en de destijds heerschende opvatting van de praeformatie, volgens welke van den aanvang af alle deelen van het embryo reeds in het ei aanwezig zouden zijn, bestreed. Nadat hij in den Zevenjarigen Oorlog als arts bij de Silezische lazarethen had gediend, gaf hij in 1766, nadat hem te Berlijn het verlof tot het houden van openlijke voorlezingen over physiologie hardnekkig geweigerd was, gehoor aan de uitnoodiging van keizerin Catharina van Rusland, om aan de academie te St. Petersburg een professoraat te aanvaarden. Hier schreef hij „De formatione intestinorum" (1768), waarmede zijn naam voor goed gevestigd was. Vele van zijn nagelaten werken bevinden zich in handschrift in de bibliotheek der St. Petersburgsche academie. Hij overleed in 1794 te St. Petersburg.

Wolff, Pius Alemnder, een Duitsch tooneelspeler, geboren den 3den Mei 1782 te Augsburg, was bestemd voor geestelijke, werd daarna te Berlijn voor koopman opgei 'id en zag zich in 1804 geplaatst bij den hofschouwburg te Weiman Goethe zag in hem den eenigen tooneelspeler, die zich geheel naar zijn opvattingen gevormd had. In 1816 werd hij verbonden aan den koninklijken schouwburg te Berlijn, welken hij echter, ontnuchterd door den bureaucratischen geest, welke daar heerschte, spoedig verliet. Hij schreef het blijspel: „Casario", de drama's: „Pflicht um Pflicht", „Treue siegt in Liebesnetzen" enz. en het zangspel „Preciosa". Hij overleed den 28sten Augustus 1828 te Weimar.

Zijn echtgenoote, Amalie Malcolmi, een bekend tooneelspeelster, geboren den nden December 1783 te Leipzig, kwam in 1791 te Weimar aanhettooneel en huwde in 1804 voor de tweede maal met Wolff. Haar hoofdrollen waren: Maria Stuart, de vorstin in „Die Braut von Messina", Iphigenia, Stella,

Klarchen in „Egmont" enz. Zij overleed den 18den Augustus 1851 te Berlijn.

Wolff, Oskar Ludrng Bernard, een Duitsch improvisator en schrijver, geboren te Altona den 26sten Juli 1799, studeerde te Berlijn in de genees kunde, daarna te Kiel in de geschiedenis eri de wijsbegeerte en was van af 1822 te Hamburg als leeraar werkzaam. Toen hij aldaar proeven leverde van dichterlijke improvisatie, vond hij zooveel bijval, dat hij kunstreizen volbracht door Duitschland. Goethe toonde groote belangstelling in Wolff-, door zijn bemiddeling verkreeg deze in 1826 een hoogleeraarsambt in de nieuwe talen aan het gymnasium te Weimar. In 1832 aanvaardde hij een leerstoel in de nieuwe talen te Jena. Door den improvisatorischen trek van zijn talent bleven zijn treurspelen, novellen enz. eenigszins oppervlakkig. Aardige details bevatten zijn „Bilder und Lieder" (1840) en „Traume und Schaume" (1844); gezonde humor tintelt in zijn „Naturgeschichte des deutschen Studenten" (2de druk, 1842), verschenen onder den schuilnaam Plinius der Jüngste en in „Die kleinen Leiden des menschlichen Lebens" (1846). Verder leverde hij: „Poetischer Hausschatz des deutschen Volkes" (31ste druk door H. Frankel, 1908), „Hausschatz deutscher Proza" (llde druk., 1875) en „Geschichte des Romans" (2de druk, 1850). Een verzameling van zijn romans en novellen verscheen onder den titel van „Schriften" (14 dln., 1841—1843). Hij overleed den 16den September 1851 te Jena.

Wolff, Emil, een Duitsch beeldhouwer, geboren te Berlijn den 2den Maart 1802, was leerling van Schadow en verwierf in 1821 met een relief den academischen prijs, die hem in staat stelde, zijn studiën voort te zetten te Rome, waar hij zich vervolgens vestigde. Van zijn genrefiguren vermelden wij: „Jager met hond", „Zittende Visscher", „Herderin en herdersknaap" en „De spinster". Onder zijn mythologische werken munten uit: „Midas als rechter" (basreliëf), „Charitas" (relief in marmer), „Hebe en Ganymedes", „Thetis en Achilles", „Prometheus met het hemelsche vuur" „Victoria, een jongeling in de geschiedenis onderwijzend", „Jephta en zijn dochter", „Psyche na de vlucht van Amor" en „Judith". Ook leverde hij onderscheidene borstbeelden van beroemde personen, zooals Thorwaldsen, Winckelmann en Palestrina. Hij overleed den 288'611 September 1879 te Rome.

Wolff. Aïbert, een Duitsch beeldhouwer, geboren te Neustrelitz den 14den November 1814, bezocht vanaf 1831 het atelier van Rauch te Berlijn en werd in 1844 naar Carrara gezonden, om het beeldhouwwerk voor het bovenste terras van Sanssouci in marmer uit te voeren. Na een tweejarig verblijf in Italië keerde hij terug en stond Rauch ter zijde bij het voltooien van het monument ter eere van Frederik den Groote. Zijn eerste zelfstandige werken van beteekenis waren: de reliefs van het nationaal gedenkteeken in het park van het gebouw der Invaliden te Berlijn en één der groepen op de slotbrug: „Een oorlogsheld, door Pallas ten strijde gevoerd." Daarop volgden een groot aantal modellen, maar ook monumentale werken, zooals de groote standbeelden der vier Evangelisten in de slotkerk te Neustrelitz, de allegorische figuren van de faculteiten voor het gebouw der hoogeschool en het reusachtige standbeeld voor de Koningspoort te Koningsbergen. Van zijn andere hoofdwerken noemen wij,

Sluiten