Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naast het bronzen ruiterstandbeeld van Ernst August voor Hannover en dat van Frederik Willem III in den Lustgarten te Berlijn, de groep van een ..Leeuwentemmer" in brons op de trap van het museum te Berlijn, het beeld van groothertog Frederik Frans I van Meckleriburg-Schwerin, „Bacchus met panter" en de groep van een „Leeuw, zijn jongen verdedigend tegen een slang" voor het gerechtshof te Berlijn. Wolff was professor aan de academie van schoone kunsten te Berlijn. Hij overleed den 20stel1 Juni 1892 te Charlottenburg.

Wolff, Pierre, een Franscli tooneelschrijver, een neef van den voorgaande, geboren den lsten Januari 1865 te Parijs, schreef de romans „Roman d'une femme mariée" (1890) en „Sacré Léonce" (1898) en deed de naturalistische stukken^, Jacques Bouchard" (1890), „Leurs filles" (1891), „Celles qu'on respecte" (1893), „Ceux qu' on aime" (1895), „Fidéle" (1895), „Le Boulet" (1898) en „Le Béguin"(1900) opvoeren, waarin een geestige dialoog blijk geeft van een scherpe en ironische waarneming van het tegenwoordige leven. Daarna overslaande tot een sentimenteel optimisme, schreef hij: „Le secret de Polichinelle" (1903), „L'age d'aimer" (1905), „Le ruisseau" (1907) en, met H. Leroux, „Le lys" (1909).

Wolff, Wilhelm, een Duitsch beeldhouwer, geboren te Fehrbellin den 6den April 1816, werd op 14-jarigen leeftijd geplaatst aan de koninklijke ijzergieterij te Berlijn, bezocht daarop de nijverheidsschool en werd vervolgens naar Parijs gezonden, om zich aan de ijzergieterij van Soyer verder te bekwamen. Hij vertoefde er twee jaar, daarop nog anderhalf jaar bij Stiglmayer te München en richtte toen zelf te BerHjn een ijzergieterij op, die vooral figuren van dieren leverde, welke door de vrije manier van behandeling de aandacht op den jeugdigen kunstenaar vestigden. Weldra droeg Wolff de zorg voor de ijzergieterij op aan een jongeren broeder om zich geheel aan scheppend werk te kunnen geven. Van zijn hand zijn een groot aantal decoratieve en monumentale dierfiguren en groepen, waaronder „Bulldog met jongen", „Ever door honden aangevallen", een reusachtig hert voor het park te Putbus en „Stervende leeuwin." Verder noemen wij van hem een groot bronzen borstbeeld van Eerder, een marmeren borstbeeld van Sebastian Bach, een borstbeeld van Franz Iiugler, een bronzen beeld van de keurvorstin Louise Henriette en het standbeeld van Frederik den Groote te Liegnitz. Hij overleed den 30sten Mei 1887 te Berlijn.

Wolff, Emil von, een Duitsch landbouwscheikundige, geboren te Flensburg den 31sten Augustus 1818, studeerde te Kiel, Kopenhagen en Berlijn in de geneeskunde, daarna in de natuurwetenschappen, werd in 1847 docent aan de landbouwschool te Brösa in Saksen en in 1851 directeur van het proefstation voor landbouw te Mökern bij Leipzig. In 1854 werd hij hoogleeraar aan de landbouwacademie te Hohenheim, waar hij in 1866 ook directeur van het nieuw opgerichte proefstation werd. Van zijn geschriften vermelden wij: „Die Naturgesetzlichen Grundlagen des Ackerbaues" (3de druk, 2 dln. 1856), „Praktische Düngerlehre" (14de druk door H. C. Muller, 1904), „Die landwirtschaftliche Fütterungslehre und die Theorie der menschlichen Ernahrung" (1861), „Die rationelle Fütterung der Iandwirtschaftlichen Nutztiere" (7de druk door Lehrmnn, 1899), „Die Ernahrung der Iandwirt¬

schaftlichen Nutztiere" (1876), „Anleitung zur chemischen Untersuchung landwirtschaftlich wichtiger Stoffe" (4de druk door Easelhoff, 1899), „Asclienanalysen von Iandwirtschaftlichen Produkten" (2 dK, 1871—1880) en „Grundlagen für die rationelle Fütterung des Pferdes"(1886). Hij overleed den 26sten November 1896 t° Stuttgart.

Wolff, Diederik Engelbert Willem, een Nederlandsch schrijver, geboren te Zwolle den 18den Mei 1823, promoveerde in de letteren op een verhandeling, getiteld „Observationes de textu Masorethico Veteris Testamenti comparato cum versione Graeca Alexandrina" (1858), werd docent in de Latijnsche en Grieksche talen aan het Nederlandsch Israëlietisch seminarium te Amsterdam, en schreef behalve verschillende opstellen in „De Gids": „Geschiedenis van den oorsprong en de lotgevallen der Mormonen"(1855) en „HetSemietischeletterschrift" (1858). Hij overleed den 5den Augustus 1890.

Wolff, sir Henry Drummond, een Engelsch staatsman, geboren den 12den October 1830 op Malta, trad in 1846 in diplomatieken dienst en werd in 1852 verbonden aan het gezantschap te Florence en in 1856 aan dat te Brussel. In Februari 1858 werd hij secretaris van graaf Malmesbury, minister van Buitenlandsche Zaken en in November van sir Bulwer Lytton, minister van Koloniën. Van 1859— 1864 was hij secretaris van den gouverneur der Ionische Eilanden en in 1874 werd hij gekozen tot lid van het Lagerhuis, waar hij vanaf 1880 behoorde tot de kleine, maar buitengewoon conservatieve, zoogenaamde vierde partij, welke door hem en lord R. Churchill geleid werd. In Augustus 1885 werd hij naar Egypte gezonden om een grondwet voor dat land te ontwerpen. Met de Porte sloot hij in 1886 een verdrag omtrent de ontruiming van Egypte door Engeland, dat de sultan ten slotte echter niet goedkeurde. In 1888 werd hij benoemd tot Britsch gezant in Perzië, in 1891 in Roemenië en in 1892 in Spanje. Onder den titel „History of the Suez Car nal" (1876) leverde hij een vertaling van het werk van de Lesseps-, verder schreef hij: „The residency of the first Napoleon in Elba", „Some notes on the past, 1870—1891" (1893) en „Rambling recollections" (2 dln., 1908). Hij overleed den llden October 1908 te Brighton.

Wolff, Julius, een Duitsch schrijver, geboren te Quedlinburg den 16den September 1834, studeerde te Berlijn in de wijsbegeerte, nam vervolgens de leiding op zich van de lakenweverij van zijn vader, en richtte, nadat hij zich daaruit had teruggetrokken, in 1869 de „Harzzeitung" op. Naden FranschDuitschen Oorlog vestigde hij zich weder te Berlijn, waar hij gedurende eenigen tijd de „Illustrierte Frauenzeitung" redigeerde en zich verder geheel aan de letterkundige loopbaan wijdde. Hij schreef: „Aus dem Felde, Kriegslieder" (4de druk, 1907), „Till Eulenspiegel redivivus" (23s,e druk, 1896) en de kleine heldendichten en vertellingen, welke ten deele talrijke herdrukken beleefden: „Der Rattenfanger von Hameln" (1875), „Der wilde Jager" (1877), „Tannhauser" (2 dln., 1880), „Singuf' (1881), „Der Raubgraf" (1884), „Lurlei" (1886), „Die Pappenheimer" (1889) en „Der fliegende Hollander" (1892). Van zijn romans noemen wij: „Der Sülfmeister" (2 dln., 1883), „Das Recht der Hagestolze" (1888), „Das Schwarze Weib" (1894), „Die Ilohkönigsburg" (1902) en „Zweifel der Liebe"

Sluiten