Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ver, de oudste zoon van den voorgaande, werd geboren te Frankfort aan den Main den 27Bten Mei 1823, studeerde in de rechten te Berlijn en te, Heidelberg, trad in 1844 in staatsdienst, was gedurende eenigen tijd als regeeriegsassessor bij het ministerie van Binnenlandsche Zaken werkzaam en werd in 1854 naar Breslau verplaatst, waar hij in 1863 tot regeeringsraad werd bevorderd. In 1868 werd hij Hofschouwburgintendant te Schwerin. Hij overleed te San Remo den 13don Januari 1883. Hij schreef: „Frrdrich von Schillers Beziehungen zu Elt"rn, Geschwistern und der Familie von Wolzogen"(1859), „Aus Schinkels Nachlasz"(4 dln., 1862—1864), „Preuszens Staatsverwaltung mit Rücksicht auf s ine Verfassung"(1854), „Reise nacli Spanien"(1857), „Geschichte d"s rrichsfreiherrlich von Wolzogen'schen Geschlechts"(2 dln., 1859), „Über Theater und Musik"(1860), „Über die szerische Darstellung von Mozarts Don Giovanni"(1860), „Wilhelmine Schröder-Devri nt"(1863), „Schinkel als Archit kt, Maler und Kunstphilosoph"(1864), „Rafa 1 Santi"(1865), ,,P ter von Cornelius"(1867), het blijspel: „Nur kein Ridicul"(1864) en de drama's: „Blarche", „Sophia Dorothea" en „Fürstin Orsi i", die hij gezamenlijk met Von Winlerfeld schreef. Ook bewerkt^ hij Kalidasa's „Sakuntala" voor het tooneel (1883) en gaf hij de gedenkschriften van zijn vader uit (1851).

Wolzogen, Hans von, een zoon van den voorgaande, geboren te Potsdam den 13den November 1841, studeerde in de wijsbegeerte en in de philologie, wijdde zich vervolgens aan letterkundige werkzaamheden en vestigde zich als redacteur van de door Richard Wagner gestichte „Bayreuther Blatter" te Bayreuth. Hij gaf vertalingen in het Nieuw-Hoogduitsch uit van den „Armer Heinrich" van Ilartmann von Aue, van de „Beowulf" en van de „Edda". Verder schreef hij: „Der Nibelungenmythos in Sage und Literatur"(1876), „Über Verrottung und Errettung der deutschen Sprache"(1880), een aantal artikelen over Duitsclie taal en schrijfwijze, verzameld als „Kleine Schrift^n'^dl. 1, 1886), een groot aantal werken over Richard Wagner en zijn richting, zooals: „Thematische Leitfaden", waarin de muziek van eenige van Wagners muziekdrama's wordt verklaard, „Erlauterungen zu Richard Wagners Nibelungendrama"(4d0 druk, 1878), „Poetische Lautsymbolik"(1876), „Die Tragödie in Bayreuth und ihr Satyrspiel"(5de druk, 1881), „Die Sprache in Richard Wagners Dichtungen"(1878), „Richard Wagners Tristan und Isolde"(1880), „Was ist Stil? was willWagner?"(3de druk, 1889),,,UnsreZeitundunsre Kunst"(1881), „Die R»ligion des Mitleidens"(1882), „Richard Wagners Heldengestalte erlautr'rt"(2de druk, 1886), „Richard Wagner und die Tierwelt" (1890), „Erinnerungen an Richard Wagner", „Wagnerianer-Spiegel" (1891), „Wagneriana" (1888), „Wagner-Brevier"(1904), ,,Bayreuth"(1904), „Richard Wagner"(1905 in „Die Dichtung") en „Aus Richard Wagners Geisteswelt"(1908). Ook gaf hij de „Briefe Richard Wagners an Minna Wagner"(1908) uit. Van zijn overige werken noemen wij: „Das Veverl vom Walchensee"(1902), de essays over E. T. A. Hoffrmnn en Richard Wagner (1906) en F. Rairnund (1907) in de „Deutsche Bücherei", „Raabenweisheit"(1901), „Aus deutscher Welt"(1905), „Musikalisch-dramatische Parallelen"(1906) en „Von deutscher Kunst", de vertaling van „Das musikalische Drama" van Schurë (3de druk, 1888), van

„Bacchantinnen" van Euripides en van de „Tragödien" van Aeschylos.

Wolzogen, Ernst, \*rijheer von, een Duitsch schrijver, geboren den 238ten April 1855 te Breslau, studeerde te Straatsburg en te Leipzig in de Duitsche letterkunde, de wijsbegeerte en de kunstgeschiedenis en woonde daarna achtereenvolgens te Weimar, Berlijn, München en Darmstadt. Hij heeft zich vooral doen kennen als luchtig verteller, aanhanger van de moderne, naturalistische richting, waarvan hij de uitersten weet te vermijden, als scherp waarnemer van de werkelijkheid en als tragi-komisch dichter in den goeden zin van het woord. In 1901 stichtte hij te Berlijn het zoogenaamde „Überbretti',waarmede hij talrijke tournée'sondernam; in 1902 legde hij echter de leiding daarvan neder. Van zijn vertalingen en romans noemen wij: „Urn 13 Uhr in der Christnacht" (1879), „Immakulata" (1881), „Heiteres und Weiteres" (2de druk, 1896), „Basilla" (1887), de romanreeks „Blau Blut" (dl. 1 „Die Kinder der Excellenz", dl. 2 „Die tolle Komtesz", dl. 3 „Der Thronfolger", 1888—1891 en later), „Die kühle Blonde" (2 dln., 1890), „Erlebtes, Érlauschtes und Erlogenes" (1892 en later). „Die Entgleisten" (1894 en later), „Fahnenflucht" (1894 en later), „Ecce Ego. Erst komme ich" (1895), „Geschichten von lieben süszen Madeln" (1897), „Das dritte Geslecht" (1508te duizend, 1903) en „Die arme Sünderin" (2 dln., 1901). Van zijn dramatische werken noemen wij de stukken: „Das Lumpengesindel" (2de druk, 1902), „Ein unbeschriebenes Blatt" (1896) en „Unjamwewe" (1897), de tooneelstukken: „Daniela Weert" (1894) en „Der Bastard" (1903), benevens de operateksten: „Feuersnot" (9de druk, 1902, muziek vanB. Strausz), „Die bösen Buben von Sevilla" (1903) en „Die Bader von Lucca" (1903). Zijn gedichten publiceerde hij onder den tit'1 „Verse aus meinem Leben" (1907); nieuwe gedichten van hem en zijn vrouw, Elsa Seemann (geboren den 5den Augustus 1876 te Dresden) bevat het „Eheliche Andichtbüchlein" (1903). Verder noemen wij nog van hem de biografisch-critische studies: „George Eliot" (1885) en „Wilkie Collins" (1885), het vlugschrift „Linksumkehrt, schwenkt-Trab! Ein ernstes Mahnwort an die herrschenden Klassen" (lste—4de druk, 1895) en „Ansichten und Aussichten. Gesammelte Studiën über Musik, Literatur und Theater" (1908). Ook bewerkte hij den 4den druk van Dorés prachtuitgave van den „Don Quijote" (1883—1885) en de „Eigene Lebensbeschreibung des schlesischen Ritters Hans von Schweinichen" (2de druk, 1907).

Wombat. Zie Buidelmuis.

Wond (vulnus) noemt men een door mechanische kracht veroorzaakte, plotselijke scheiding van organisch verbonden deelen. Men verdeelt de wonden naar gelang der werktuigen, waarmede zij zijn toegebracht, in gesneden, gehouwen, gestoken, gekneusde, gescheurde, geschoten en vergiftige wonden, — voorts naar gelang van het aangedane lichaamsdeel in hoofd-, borst-, buikwonden enz. Bij wonden merkt men de volgende verschijnselen op: pijn, bloeding, het vaneen wijken van de randen der wond en soms ontsteking en koorts. De pijn is aanvankelijk een gevolg van de beleediging der zenuwen en klimt later door do ontsteking. Zij is verschillend naar gelang van den aard der wonde, van de gevoeligheid van het gekwetste deel en van de

Sluiten