Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omhoog en ter zijde omver te werpen. Voor Nederland zie het artikel Krachtsport.

Worstverg-if. Zie Vleeschvergif.

Wortel is een in den regel naar beneden groeiend gedeelte van de plant, dat tot de bevestiging en tot de voeding dient en geen bladeren öf bladachtige deelen voortbrengt, terwijl de worteluiteinden door een omhullend gedeelte, het wortelmutsje, worden omgeven. Laatstgenoemde eigenschappen onderscheiden hem van den onderaardschen stengel of wortelstok (rhizoma). Men vindt wortels bij vaatcryptogamen en phanerogamen, maar niet bij mossen en thallophyten, die alleen eenvoudige celdraden zonder wortelmutsje (haarwortels, rhizoïden of rhizineri) ontwikkelen. Onder de gewassen van eerstgenoemde twee afdeelingen zijn slechts weinig wortellooze planten, zooals de wolfjia arrhiza, de salvinia, de epipogon gmelini, de epipogon corallorrhiza en de utricularia. Aan de oppervlakte der wortels heeft men steeds een opperhuid zonder spleetopeningen. Verder heeft men een dikke, uit parenchymcellen gevormde schorslaag, welke strengen van vezelachtige vaten omgeeft, die doorgaans in een kring zijn geplaatst en in het midden elkander aanraken of slechts een kleine plaats openlaten voor het merg. Tusschen genoemde strengen bevinden zich vaatvezels. In de wortels van houtige planten, welke zeer oud worden, ontstaat, evenals in de stammen, een teeltlaag (cambium) rondom de houtige deelen dier strengen, waardoor jaarlijks een allengs dikker wordende houtcylinder wordt gevormd. Het hout van den wortel komt in bouw overeen met dat van den stam, maar heeft grooter, minder verdikte houtvezels en is dientengevolge weeker en lichter. Bij de meeste planten zijn de jongere wortels dicht bezet met wortelharen. Deze zijn buisvormige haarvormingen van de opperhuid, die tusschen de kleinste deeltjes aan den grond voortgroeien en op vele plaatsen met dezen innig verbonden zijn, zoodat met het optrekken van den wortel meestal aarde meegenomen wordt. Deze organen zijn hoofdzakelijk werkzaam bij het opzuigen van het voedsel. Het wortelmutsje, -een uit parenchymcellen bestaand kapvormig vlies, dat het groeipunt van den wortel omgeeft, is een beschermend orgaan voor de punt van den wortel.

Wortels kunnen aan zeer verschillende deelen der plant ontstaan, niet enkel aan de reeds bestaande wortels, maar ook aan de stengelorganen en zelfs aan de bladeren. De top van een nieuwen wortel ontstaat steeds binnen in een plantendeel, doorgaans onmiddellijk op den vaatbundel, zoodat de jonge wortel door de schors heenbreekt. Bij de zichtbaar bloeiende planten ontstaat aan het onderste uiteinde der kiem de eerste wortel, en deze groeit in de tegenovergestelde richting van den stengel. Hij wordt de hoofdwortel (radix primaria) of, daar hij zich meestal in verticale richting ontwikkelt de paalwortel (radix palaria) geheeten. Alle andere wortels noemt men adventieve wortels of bijwortels (zie Adventieve organen). Doorgaans vertakt de hoofdwortel zich doordat aan zijn zijden nieuwe dunne wortels ontstaan, die zijwortels, of ook wel weer bijwortels worden geheeten. Ook die zetten de vertakking voort, en deze wordt allengs dunner; de uiterste vertakkingen dragen den naam van wortelvezels (fibrillae). Bij vele tweezaadlobbige gewassen blijft de paalwortel gedurende het geheele leven der

plant als de krachtigste wortel bestaan; dikwijls echter ontwikkelen zich de bij wortels op den duur even sterk, zoodat men hen niet van den hoofdwortel onderscheiden kan. Planten, die een kruipenden wortelstok hebben, verliezen kort na liet ontkiemen den hoofdwortel, waarna zich uit dien wortelstok alleen bijwortels ontwikkelen. Ook de uitloopers en de door uitloopers ontstane planten hebben alleen bijwortels. Bij de meeste eenzaadlobbigen verdwijnt de hoofdwortel bij of eenigen tijd na de ontkieming en ontstaat er een bundel van talrijke bijwortels, zooals bij uien en bij het graan. In de gevallen, waarin de bijwortels uit den stengel voortkomen, ontstaan zij doorgaans (bij de grassen altijd) uit deknoopen, en als de stengel geen vertikalen stand heeft, ontwikkelen zij zich uit de naar de aarde gekeerde zijde. Eindelijk kunnen ook aan stammen en takken wortels ontstaan, wanneer zij in water of in vochtige aarde gelegd worden. Met betrekking tot den vorm der hoofdwortels heeft men draadvormige wortels (radix filiformis), rolronde wortels (radix cylindrica), spilvormige wortels (radix fusiformis) en raapvormige wortels (radix napiformis). Ook de bijwortels zijn wel eens knolvormig verdikt en dragen dan den naam van wortelknollen. Naar hun vastheid onderscheidt men houtige wortels (radix lignosa) en vleezige wortels (radix earnosa). Verder heeft men luchtwortels (radix aerea), die zich boven den grond aan den stengel ontwikkelen, hechtwortels (radix adligans), zooals bij het klimop, waardoor planten zich aan nabijzijnde voorwerpen vasthechten, en boor- of zuigwortels, waarmede parasieten in het weefsel van andere planten dringen, om de door die planten gevormde voedingssappen op te zuigen.

Wortel is in de wiskunde de naam van het getal, dat men verkrijgt door een gegeven getal in eenige even groote factoren te ontbinden. Het aantal dier factoren draagt den naam van exponent; naar dezen onderscheidt men een tweede-, derdeenz. machtswortel. Zoo is bijv. 8 de tweede machtswortel (vierkantswortel) van 64 (8 = l/64), want

8 X 8 = 64. Het wortelteeken (1/ ), bij een vorm, bestaande uit verschillende grootheden, van boven door een horizontale streep verlengd, is ontstaan uit de beginletter (R) van het Latijnsche woord radix (wortel). De exponent 2 wordt in den regel er niet bijgevoegd. Hoogere exponenten worden in

s

het wortelteeken geschreven, bijv. j/32 = 2. Het berekenen van den wortel uit een gegeven getal draagt den naam van worteltrekking; het geschiedt het gemakkelijkst door middel van logarithmen (zie aldaar), waarvan men, behalve in gevallen, waarin het om den vierkantswortel gaat, steeds gebruik maakt. Iedere wortel heeft zooveel verschillende waarden als zijn exponent aangeeft. V 4 is zoowel = + 2 als = — 2, daar zoowel (+ 2) x (+2) als (— 2) x (— 2) = -f 4 is. De wortels uit negatieve getallen zijn imaginair. In de praktijk is het gewoonlijk om den positieven wortel uit positieve getallen te doen. Om den vierkantswortel praktisch te bereken, gaat men uit van de betrekking;

(a+b+c+d+ )'=a!-f 2ab +b2

+ 2 (a + b) c + c2 + 2 (a + b + c) d + d' +

Sluiten