Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke talrijke, lange, rolronde, haarvormige of breede, lintvormige, pseudopodiën uitzendt, die zich allicht vereenigen en niet scherp begrensd en met vele, zeer beweeglijke korreltjes bezet zijn. Zij komen te voorschijn uit eene enkele groote opening der laatste kamer of door tallooze zeer fijne openingen, welke de gèheele schaal doorboren. De meeste Foraminiferen zijn zeer klein, gedeeltelijk microscopisch, maar sommige worden vrij groot. Haar vermenigvuldiging vindt plaats door deeling. De sarcodemassa splitst zich door insnoering in twee deelen, die zich ten slotte van elkaar verwijderen. Het eerste beginsel of de kiem van alle Foraminiferen is waarschijnlijk een eenvoudig, door eene dunne schaal omsloten sarcodelichaam, hetwelk een veelkamerigen vorm verkrijgt doordien desarcodegedeeltelijkuit haaromhulsel te voorschijn treedt en zich daarbij van eene schaal voorziet. Naar gelang de nieuwe kamers rechtlijnig, in gelijkmiddelpuntige kringen, spiraalsgewijs^ in afwisselende rijen, schroefvormig of onregelmatig op elkander volgen, treden velerlei vormen te voorschijn. De oudste tot nu toe bekende organismen zijn Foraminiferen en de vertegenwoordiger van deze in zeer oude gesteenten der Laurenische vorming is misschien het z. g. Eozoön co.nodense. Kiezelige steenvormen van Polythalamiën zijn zeer talrijk in de Silurische en Devonische vormingen. De merkwaardigste van deze, zich vooral onderscheidend door eene aanmerkelijke grootte, zijn de Nummulieten der krijtvorming en der tertiaire lagen. Slechts weinige Wortelpootigen leven in zoet water (bijv. Gromia), reeds grooter aantal in brak water, en de meeste op den bodem der zee, zelfs op zeer aanzienlijke diepten, waar zich zeer kleine vormen van verschillende geslachten, vooral van Globigervnen, bevinden. Deze doen door de ophooping van de overblijfselen hunner schalen bij voortduring beddingen ontstaan, welke niet weinig overeenkomen met de oudere krijtvormingen. Men verdeelt de Foraminiferen naar het aantal en de rangschikking der kamers in Mcmothalamia en Polythalamia of naar den bouw der schalen in Imperforata, met ondoorboorde schalen, zooals Grysalinida, Dendritina, Flabellina, Lituola en Gromia, en in Perforaia, met doorboorde schalen, zooals Bulimna, Dentalina, Globigerina, Guttulina Fusulina, Nummulina, Orbulina, Pulvinulina en Textularia. Voor 't overige heeft men zeer uiteenloopende vormen als schakels van deze groepen. Soorten, zooals in andere afdeelingen van het dierenrijk, kan men niet onderscheiden en geslachten enkel als algemeene typen vaststellen. Ook het geslachtelijk verband tuschen de Foraminiferen der opvolgende geslachten en die van het hedendaag-' sche tijdperk is duidelijk genoeg op te merken, maar eene geleidelijke ontwikkeling der Foraminiférentypen van het Palaezoïsche tijdperk tot op onze dagen is niet aan te wijzen.

Wortelsnijder is de naam van een toestel, waarmee wortels, die als veevoeder worden gebruikt in stukken worden gesneden. Vroeger gebruikte men dikwijls toestellen, die de wortels geheel fijn tot een breiaclitige massa maakten, zooals bijv. de machine van Bentall; tegenwoordig past men deze weinig meer toe, omdat daarbij te veel vocht verloren gaat. De wortelsnijders bestaan thans meestal uit een verticaal draaiende schijf of trommel, die aan den omtrek van een aantal messen is voorzien,

waardoor de wortels in stukken van de vereischte grootte worden gesneden. Dikwijls kunnen met hetzelfde toestel stukken van verschillende grootte worden verkregen, bijv. voor schapen- en voor rundveevoeder. Gewoonlijk worden de wortelsnijders met de hand in beweging gebracht; alleen voor zeer groote bedrijven gebruikt men hiervoor paarden- of stoomkracht.

Wortelstok noemt men in de plantkunde een kruipend, horizontaal, onderaardsch stengeldeel, dat uit knoopen bijwortels uitzendt, aan zijn oudste uiteinde vermolmt, aan zijn jongste uiteinde aangroeit en een bebladerden en bloemdragenden stengel bezit.

Worteltrekbing-. Zie Wortel.

Wortelzwam (Rhizomorpha Roth.) is de naam van een houtige, kruipende of vrij hangende, wortelachtige, hier en daar tot knoopen opzwellende massa uit witte vlokken en eene donkerbruine schors bestaande. Men vindt dit gewas tusschen de schors

en net nout van oude boomstammen, vooral in de mijnen. Bij vele soorten vindt men lichtgevende plekken. Nadat men omtrent dit gewas geruimen tijd in het onzekere had verkeerd, maakte dr. H. Kocli te Jever in Oldenburg bekend, dat hij van R. subcorticalis een prachtexemplaar gebonden had, hetwelk aan het boveneinde overging in een volkomen Hypoxylon vulgare, hetwelk ten bewijze verstrekte, dat de wortelzwammengeen

afzonderlijk geslacht van zwammen vormen, maar niets anders zijn dan onvolkomen ontwikkelingstoestanden van Pyrenomyceten. Voorts deed Caspary do ontdekking, dat ook een hoedzwam een wortelzwam kan voortbrengen. In den Thiergarten te Berlijn worden jaarlijks de doode denneboomen uit den weg geruimd, en onder deze vindt men altijd eenige

met R. subcorticalis. Eindelijk is het vermoeden niet ongegrond, dat ook de geslachten Polyporus en Agaricus wortelzwammen kunnen doen ontstaan.

Wörth, een stad in het arrondissement Weiszenburg van het Duitsclie distrikt Beneden-Elsasz ligt aan de Sauer en aan een spoorweg. De plaats bezit een Protestantsche en een Katholieke kerk, een standbeeld voor keizer Friedrich, een aantal gedenkteekens, ter herinnering aan den slag bij Wörth, een rechtbank, nijverheid, handel en (1905) 1066 inwoners. Wörth is bekend door den veldslag van den 6den Augustus 1870, waarin de Fransche maarschalk Mac Mahon in den strijd tegen het der-

Wortelzwam (Rhizomorpha subcorticalis).

Sluiten