Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door een buis in den tweeden hals. Heeft zulk een flesch drie halzen, dan wordt in den derden hals een kurk met een veiligheidsbuis aangebracht.

Wouw, een gemeente in de provincie NoordBrabant, 5043 HA. groot, met (1910) 4504 inwoners, wordt begrensd door de Nederlandsche gemeenten Rozendaal c. a., Steenbergen c. a., Halsteren, Bergen-op-Zoom en Huibergen en door de Belgische gemeenten Calmpthout en Esschen. De bodem bestaat voor het grootste deel uit diluviaal zand. Het vroegere hoogveen op de Belgische grens is afgegraven. Het voornaamste middel van bestaan is landbouw; verder wordt er veeteelt en nijverheid uitgeoefend. Tot de gemeenten behooren de dorpen Wouw, Heerle en Wouwsche Plantage en de buurten Oostelaar, Westelaar, Moerstraten en Speldestraat.

Het dorp Wouw ligt aan den weg van Rozendaal naar Bergen-op-Zoom en aan de spoorlijn tusschen die twee plaatsen. De Roomsch-Katholieke St. Lambertuskerk bezit fraai gesneden banken. Van het kasteel, dat in de geschiedenis dikwijls een rol heeft gespeeld, is niets meer overgebleven.

Wouw (Milvus) is de naam van een geslacht van middelmatig groote, slank gebouwde valkvogels met zwakken, flauw gekromden, ver gespleten snavel, korten loop, groote vleugels en een langen, gaffelvormigen staart. Tot dit geslacht behoort in de eerste plaats de, koningswouw of milaan (milvus ictinus, milvus regalis, milvus), ook wel alleen wouw of zwaluwstaart genoemd. Deze vogel wordt 65—72 cm. lang, heeft een vlucht van 140—150 cm., een vleugellengte van 50 cm. en een jfaartlengte van 38 cm. Zijn staart is over een lengte van 10 cm. diep gegaffeld. Hij is van boven donkerder, van onderen lichter bruinrood. Men treft hem in geheel Europa tot in het Z. van Zweden en in Noord-Azië aan. Zijn voedsel bestaat uit kleine zoogdieren, vogels, hagedissen, slangen, kikvorschen, insecten enz. In de valkenjacht speelde deze vogel vroeger een belangrijke rol. Een andere vogel van dit geslacht is de zwartbruine wouw (milvus migrans), die ook in ons land, doch eveneens zeldzaam, voorkomt. Zijn lengte bedraagt 55—58 cm., zijn vlucht 136—145 cm. Zijn veeren zijn donkerder dan die van den koningswouw, zijn staart is 3—4 cm. gegaffeld. Hij wordt algemeen als een van de schadelijkste roofvogels beschouwd. De Egyptische wouw (milvus aegyptius) komt in Afrika, vooral in het Nijlgebied veelvuldig voor.

Wouw. Zie Reseda.

Wouwerman, Philips, de beroemde Hollandsche landschap- en paardenschilder, werd geboren te Haarlem in 1619 en overleed aldaar in 1668. Hij was een leerling van zijn vader, Paulus Joosten Wouwerman, van Frans Hals, Pieter Verbeeck en Jan Wijnants, maar onderging bovenal den invloed van Pieter de Laer. In 1640 werd hij ingeschreven als lid van het St. Lucas-gilde te Haarlem. Hij was zijn geheele leven in zijn geboortestad werkzaam op een kort verblijf te Hamburg na, waar hij eenigen tijd bij een overigens onbekend schilder Evert Decker werkte. Blijkens het groote aantal zijner leerlingen is hij in zijn tijd reeds zeer gewaardeerd. Hij werkte samen met Jan Wijnants, Jacob Ruisdael en Comelis Decker, misschien ook met Meindert Hobbema, wier landschappen hij met aardige figuurtjes stoffeerde. Philips Wouwerman was een buitengemeen vruchtbaar kunstenaar. Het aantal zijner werken

wordt op ruim'800 geschat, waaronder verscheidene doeken van groote afmetingen. Hoewel hij altijd in hetzelfde genre, voorstellingen van paarden en ruiters, blijft, weet hij daar een groote verscheidenheid in te brengen. Hij heeft een zeer groot compositioneel talent en behoort tevens tot onze eerste teekenaars en coloristen. Schilderijen van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam, het Mauritshuis te 's Gravenhage, het Museum Boymans te Rotterdam en het Stedelijk Museum te Haarlem.

Wouwerman, Pieter, een Hollandsch landschap- en paardenschilder, werd geboren te Haarlem in 1623 en overleed te Amsterdam in 1682. Hij was een leerling van zijn vader, van Roeland Roghman en van zijn ouderen broeder Philips, wiens schilderwijze hij navolgde, doch wiens hoogte hij niet bereikte. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Stedelijk Museum te Haarlem.

Wouwerman, Jan, een Hollandsch landschapschilder, werd geboren te Haarlem in 1629 en overleed aldaar in 1666. Hij was de jongere broeder van Pieler en Philips Wouwerman, en leerling van den laatste. In 1655 werd hij lid van het St.' Lucas-gilde te Haarlem. Zijn duingezichten herinneren aan die van Jan Wijnants en aan die uit J. RuisdaeVs jeugd, maar hij bereikte niet de hoogte van deze beide meesters. Zijn werken zijn zeer gering in aantal. Hier te lande kan men ze o. a. leeren kennen in het Museum Boymans te Rotterdam en het Stedelijk Museum te Haarlem.

Wraak noemt men het vergelden van een aangedaan kwaad door dergene, die dit kwaad gedaan heeft, eveneens iets onaangenaams aan te doen. Oorspronkelijk was de wraak de eenige vorm van vergelding. Bij de ontwikkeling van het rechtsgevoel streeft men meer en meer naar beperking van de persoonlijke wraak en tracht deze te vervangen door de straf (zie aldaar).

Wraakgodinnen (Erinnyen, Eumeniden, Eurien) worden bij de Grieken voorgesteld als bewaaksters van de natuurwetten, dienaressen van de gerechtigheid en wreeksters van de misdaad. Zij komen, ten getale van drie het eerst voor bij Euripides en krijgen later de namen Alekto, Tisiphone en Megaera. Volgens Hesiodos ontstonden zij uit de bloeddroppels,die uit de doorKronos zijn vader afgesneden geslachtsdeelen ter aarde vielen. Aeschylos noemt ze dochters van den Nacht, Sophokles dochters van Skolos (de duisternis) en Gaea (de aarde). Zij wreken inzonderheid elke krenking der door de natuur geheiligde banden des bloeds, inzonderheid den moord, op bloedverwanten gepleegd. Na Aeschylos, die ze voor het eerst op het tooneel bracht, werden haar eigenschappen en karakters langzamerhand door verschillende treurspeldichters ontwikkeld. Zij worden zoo afschrikwekkend mogelijk voorgesteld met een donkere huid. zwarte kleederen, zwarte vleugels, vlammende blikken, slangen in het haai', om het lichaam en om de armen, die door giftigen adem en giftig speeksel misgewas en ziekte verspreiden. Zij leven in de onderwereld, doch komen, geroepen of ongeroepen, boven de aarde om den misdadiger te straffen. In de handen hadden zij fakkels, geescls of slangen, waarmee zij den misdadiger onophoudelijk vervolgen en tot waanzin brengen, tot hij zijn schuld geboet heeft. Als beschermsters van

Sluiten