Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een Russisch zeevaarder, geboren den 29sten December 1794 in Lijfland, ontving zijn opleiding bij het korps zeekadets te Petersburg, volbracht onder Golownin van 1817—1819 een reis om de wereld, werd daarop luitenant ter zee en ondernam in 1820 op last der regeering zelf een expeditie naar NoordSiberië. Op 4 reizen met hondesleden over een gezamenlijke lengte van 6000 km. onderzocht hij de kust van de Noordelijke IJszee van de monding van de Kolyma tot aan de Kolioetsjinbaai, bezocht de Bereneilanden en trok driemaal over het ijs naar het Noorden zonder echter het vermoede land (Wrangel Eiland, zie aldaar) te ontdekken. Hij kwam in April 1824 weder te Pêtersburg aan. Zijn op die reis gemaakte „Natuurkundige waarnemingen" werden in 1827 door Parrot in het licht gegeven en eerst veel later gevolgd door een uitvoerige reisbeschrijving (2 dln., 1841), nadat reeds een door Engelhardtnaarde dagboeken van Wrangell bewerkte Duitsche uitgave (2 dln., 1839) verschenen was. Als kapitein-luitenant en bevelhebber van de oorlogssloep „Krotkoi" ondernam Wrangell in 1825 opnieuw een reis om de wereld, keerde in 1827 terug en werd in 1829 tot gouverneur van Russisch Amerika benoemd, welke betrekking hij vijf jaar bekleedde. Van 1836—1849 was hij directeur van het departement van de wouden voor den scheepsbouw, van 1840—1849 eveneens van de Russisch-Amerikaansche Compagnie. In 1847 werd hij vice-admiraal, in 1849 verliet hij den staatsdienst. Bij het begin van den Krimoorlog trad hij weder in dienst, stond van 1853—1858 aan het hoofd van het departement van marine, werd vervolgens lid van den Staatsraad en nam na den verkoop van de Amerikaansche kolonies (1866), waartegen hij zich met kracht verzette, zijn ontslag. Hij overleed te Dorpat den 6den Juni 1870. Hij schreef nog: „Statistische en ethnografische berichten over de Russische bezittingen aan de noordwestkust van Amerika".

Wrang-el-eiland, vroeger ook Wrangelland genoemd, is een eiland in de Noordelijke IJszee, 170 km. ten N. van het Siberische Tsjoektsjenschiereiland, waarvan het door de De Longstraat is gescheiden. Het ligt op 71° N. Br. en wordt door den 1805ten lengtegraad doorsneden. Van 1821—1823 werd het door Wrangell (zie aldaar) tevergeefs gezocht. In 1881 werden zijn ligging en grenzen door Hooper en Berry vastgesteld. Het eiland bereikt in Gilders Head een hoogte van 910 m., in Berry Mount van 760 m.

Wratislaw is de naam van eenigè Slavische vorsten, inzonderheid van het geslacht der Premyslickn in Bohemen.

Wratislaw 1, een zoon van Borimoj en Ludmilla, regeerde van omstreeks 912 tot 926 en was een ijverig bevorderaar van het Christendom in Bohemen.

Wratislaw II werd in 1061 hertog van Bohemen en werd in 1086 door keizer Hendrik IV tot koning van Bohemen verheven. Hij overleed in 1092.

Wratislaw, vorst der Bodrizen, voerde oorlog tegen Hendrik den Leeuw en werd in 1164 voor Malchow als gevangene ter dood gebracht. %

Ook droegen onderscheiden Hertogen van Pommeren dien naam.

Wratten ('verrucae) zijn alleenstaande of in groepen geplaatste, plat-halfbolvormige of eenigszins puntige uitwassen op de huid, die onder een dikke, hoornachtige, somtijds eenigszins gebarsten

bekleeding uit een week, licht bloedend weefsel bestaan. Zij zijn haren oorsprong verschuldigd aan den sterken aangroei van een grootere of kleinere groep tepeltjes der lederhuid en aan een verdikking der tot bedekking dienende opperhuid. Omtrent de oorzaken van dien sterken groei der tepeltjes verkeert men nog in het onzekere. Vaak verdwijnen de wratten eerlang van zelf doordien het inwendig weefsel uitdroogt en verschrompelt, waarna de hoornachtige bedekking afschilfert. Aangeboren wratten gaan nooit van zelf weg. Het gemakkelijkst kan men ze verwijderen door bijtende middelen, zooals helschen steen, maar op den duur moet men het bijtmiddel steeds dieper laten werken. Aangeboren wratten, vooral gekleurde, veranderen op gevorderden leeftijd licht in boosaardige gezwellen en moeten door een operatie verwijderd worden.

Bij de planten geeft men den naam van wratten aan kleine aanhangsels der opperhuid, welke met de haarvorming in verbinding staan, hoewel aan de vorming daarvan ook cellen deelnemen, welke onder de opperhuid gelegen zijn. Het zijn meestal meercellige verhevenheden, die zich van de klieren onderscheiden door gemis van afscheiding en door meer hardheid. Zij komen niet zelden voor op zaden en vruchten.

Wrattenzwijn (Pliacochoerus) is de naam van een zoogdierengeslacht uit de orde' der Veelhoevigen (Mullungula) en uit de familie der Zwijnen (Suida). Het omvat plompe, leelijke dieren met een rolrond lichaam, een korten hals, een dikken, aan den snuit en vooral aan de bovenlip zeer breeden kop, aan wiens zijden het drie wratvormige uitwassen draagt. De lage pooten hebben vier hoeven, de lange staart is voorzien van een dikken kwast. De huid is, met uitzondering van een rugmaan en van een bakkebaard, met korte, alleenstaande borstels bezet. Het gebit bevat oorspronkelijk 6 snijtanden in elke kaak, waarop reusachtige, overlangs gevoorde slagtanden volgen, die naar boven groeien. Verder heeft het aan weerszijden in elke kaak 6 kiezen. Gewoonlijk vallen de kiezen en de snijtanden gedeeltelijk uit. De voornaamste vertegenwoordiger van dit geslacht is de hardlooper of koloïe (phacochoerus aethiopicus), die 1,60 m. lang wordt en een schouderhoogte krijgt van 75 cm. Zijn kleur is bruin, op den kop en den rug zwartachtig, de boven-slagtanden steken 24 cm. uit den bek. Deze dieren leven in kudden bijeen en zijn door hun lange tanden gevaarlijk voor den mensch. Zij komen in Zuid-Afrika voor. In Noord-Afrika leeft de haroja (potamochoerus africanus).

Wratvisch {TJmbrina eirrhosa). Zie Ombervisschen.

Wraxall, sir Nathaniel William, een Engelsch geschiedschrijver, geboren te Bristol, den 8sten April 1751, trad in 1779 te Bombay in dienst der OostIndische Compagnie, bleef drie jaren in Indië en doorreisde vervolgens nagenoeg geheel het vaste land van Europa. Daarop schreef hij: „A voyage round the Baltic"(1775), weldra gevolgd door een geschiedenis der koningen van Frankrijk uit het Huis Valois (2 dln., 1777) en door een geschiedenis van Hendrik III en IV van Frankrijk (3 dln., 1777). In 1780 werd hij lid van het Parlement en voegde zich bij de partij van Pitt. In 1799 schreef hij: „Memoirs of the courts of Berlin, Dresden, Warsaw and Vienna" en in 1818 „Memoirs of his own time"

Sluiten