Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vluchtte naar Weenen. Door den sultan begenadigd, keerde hij naar Konstantinopel terug, werd in 1796 dragoman der Porte en in 1799 hospodar van Moldavië en in 1802 van Walachije. Toen hij in 1805, door de Fransche diplomatie als vriend van Rusland verdacht gemaakt, werd ontslagen, begaf hij zich naar St. Petersburg, maar keerde in 1806 aan het hoofd van 20 000 Russen terug naar Boekarest, waar hij een Grieksch vrijkorps verzamelde, de Serviërs tot opstand aanspoorde en wederom het voornemen opvatte om Griekenland te bevrijden. De Vrede van Tilsit noodzaakte hem echter, in Rusland een wijkplaats te zoeken. Hij overleed den 248teB Juni 1816 te Kiew.

Ypsilanti, Alexander, een zoon van den voorgaande, geboren te Konstantinopel den 12den December 1792, volgde zijn vader in 1805 naar St. Petersburg, trad in 1809 in dienst bij de keizerlijke garde te paard en onderscheidde zich in de veldtochten van 1812 en 1813. Keizer Alexander I benoemde hem in 1814 tot kolonel en tot zijn adjudant, en in 1817 tot generaalmajoor en belastte hem met het commando over eene brigade huzaren. In Juni 1820 plaatste hij zich aan het hoofd der Hetaerie. In strijd met zijn wensch werd de opstand van Theo-

door Wladimiresco (Januari 1821), een verzet tegen de onderdrukkingen der Bojaren, door de vurigste leden der Hetaerie beschouwd als het sein tot een opstand tegen de Turken, en Ypsilanti zag zich genoodzaakt, den 6den Maart 1821 tot hulp der Hetaerie een inval te doen in Moldavië. De verwachte opstand der Grieken in geheel Turkije bleef echter uit, Rusland veroordeelde de onderneming en ook on¬

der deWalachen vond Ypsilanti weinig geestdrift. De slag bij het klooster Dragazani (19 Juni 1821) ontnam aan de Hetaeristen alle hoop. Ypsilanti werd door de Oostenrijksche Regeering gevangen

gehouden in de vesting Munkacs in Hongarije en vervolgens te Theresiënstadt en eerst in 1827 door tusschenkomst van Rusland op vrije voeten gesteld. Hij overleed op reis naar Verona te Weenen den 31steB Januari 1828.

Ypsilanti, Demetrios, een broeder van den voorgaande, geboren den 25sten December 1793, onderscheidde zich in Russischen krijgsdienst in den veldtocht van 1814 en belastte zich in 1821, in naam van

zijn broeder, met de leiding van den opstand in Griekenland. Den 20s,en Juni landde hij op Hydra en 11 dagen daarna te Astros. Ofschoon door de primaten en de militaire aanvoerders, alsmede door de partij van Maurocordatos in zijn bewegingen belemmerd, nam hij op roemrijke wijze deel aan onder¬

Alexander Ypsilanti.

Demetrios Ypsilanti.

scheiden krijgsverrichtingen. Krachtens de grondwet van 1822 werd hij benoemd tot voorzitter van de Wetgevende Vergadering. Na een vruchteloozen veldtocht naar Middel-Griekenland in 1822 en nadat zijn poging, om in de tweede Nationale Vergadering te Astros, in Maart 1823, aan de oorlogspartij de meerderheid te bezorgen, mislukt was, keerde hij tot het ambteloos leven terug, totdat de president Capo cCIsirias hem in Januari 1828 tot bevelhebber der Grieksche troepen in O.-Griekenland benoemde. Hij nam echter in October 1831 ontslag en overleed te Weenen den 3den Januari 1832.

De vorstelijke familie Ypsilanti, welke thans te Eichorn bij Brünn woont, stamt af van den derden zoon van Alexander, Gregor Ypsilanti (f 12 Juli 1835). Een vierde zoon, Nicalos Ypsilanti, liet „Memoires" (uitgegeven door Kamboroglous, 1901) na, welke een inzicht geven in de voorgeschiedenis van den Griekschen opstand tot 1820, vooral in het aandeel dat Alexander 1 van Rusland daaraan had.

Yriarte, Zie Iriarte.

Yriarte. Charles, een Fransch schrijver, geboren te Parijs den 9df;" December 1833, wijdde zich op de école des baux-arts aan de bouwkunst en werd in 1856 inspecteur der regeeringsgebouwen. Toen in 1859 de regeering de uitvoering van sommige bouwplannen staakte, vergezelde hij als verslaggever en ontwerper van teekeningen voor den „Monde illustré" het Spaansche leger op den veldtocht naar Marokko, reisde vervolgens in Spanje, bevond zich gedurende den oorlog in Italië bij den generalen staf van F anti en Cialdini en vertoefde vervolgens geruimen tijd als dagbladcorrespondent te Napels. In 1862 keerde hij terug naar Frankrijk, hield er het opzicht op het bouwen der Nieuwe Opera, maar verwisselde weldra deze betrekking met die van hoofdredacteur van de „Monde illustré". Ook deze legde hij evenwel kort daarna neder en deed daarna een aantal reizen in Europa. Hij overleed in 1898 te Parijs. Hij schreef: „La société espagnole" (1861), „Souvenir du Maroc" (1862), „Paris grotesque. Les célèbrités de la rue de 1815 a 1863" (1864), „Les cercles de Paris de 1828 è, 1864" (1864), „Portraits parisiens"(1866), „Portraits cosmopolites"(1865),„Goya, sa vie, son oeuvre" (1867), „Les Prussiens a Paris et le 18 mars" (1871), „La bataille de Dorking "(1872), „Le puritain" (1873), „La vie d'un patricien de Venise au XVI siècle (1874), „La Bosnië et 1'Herzegovine pendant 1'insurrection" (1875), „Venise, histoire, art, industrie; la ville, la vie" (1877), „Le bords de l'Adriatique" (1878), „Florence, 1'histoire, les Médicis, les humanistes, les lettres, les arts" (1880), „Un condottière au XVe siècle: Rimini" (1882), „Franijoise de Rimini dans la légende et dans 1'histoire" (1882), „La sculpture italienne du XVe siècle: Matteo Civitati, sa vie et son oeuvre" (1885), „J. F. Millet" (1885), „Fortung" (1886), „Paul Véronèse" (1888), „César Borgia" (1889) en voor het tooneel: „La femme qui s'en va" (1879).

Yrjö-Koskinen. Zacharias, vrijheer, een Finsch staatsman en geschiedkundige, een broeder van J. O. Forsman (zie aldaar), geboren den 10dei1 December 1830 te Wasa, trad reeds als student (1847 —1853) en later als leeraar (1853—1863) en als hoogleeraar in de geschiedenis (1863—1882) in woord en geschrift onder het pseudoniem YrjöKoskinen op als verdediger van het uitsluitend recht der Finsche taal in het grootvorstendom. In

Sluiten