Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nest op den bodem 6—6 eieren. Het voedsel bestaat in den broedtijd uit insekten, vooral uit muggen. Gedurende den winter eet de ijsgors ook zaden. Daar zij zich in den laten herfst gaarne bij de leeuweriken voegt, wordt zij, bijv. in China, dikwijls met deze gevangen en aan de markt gebracht.

IJs- of Gr oenlandhaai (Laemargus borealis). Zie Haaivisschen (Squalides).

IJsgTOtten zijn holen met bijzonder lage temperatuur, waarin het naar benedendruppelende water een ijskorst vormt, terwijl het opborrelende terstond tot ijskorrels of in ijsstalaktieten overgaat. Men verdeelt de ijsgrotten in statische en dynamische. In de eerste, weike als de eigenlijke grotten te beschouwen zijn, is op de plaatsen van ijsvorming geen luchtstroom aanwezig, terwijl de temperatuur, afgezien van enkele spleten, in het algemeen een weinig boven nul is. In de dynamische ijsgrotten, mndfjrotien (zie aldaar) genoemd, is de luchtstroom de aanleiding van de afkoeling en de daarop volgende ijsvorming, Over de oorzaak van de ijsvorming in de statische ijsgrotten zijn verschillende theorieën opgesteld. Schwalbe denkt aan een onderkoeling van het infiltreerende water tengevolge van verdichting op het poreuze gesteente, waar het doorheen gaat. Volgens Deluc-Thury moet de hoofdoorzaak van de ijsvorming hierin gezocht worden, dat zich in het koude jaargetijde meer ijs vormt dan in het warme smelten kan; derhalve in de geringe stijging van de gemiddelde jaartemperatuur boven het nulpunt. In de grotten kan n.1. alleen koude lucht, welke soortelijk zwaarder is dan warme, binnendringen. In den winter verdrijft zij de warmere lucht uit de grotten, koelt de wanden meer en meer af en doet het water bevriezen; in den zomer stijgt de temperatuur echter slechts zeer langzaam, daar warmte alleen door geleiding langs den bodem en met het infiltreerende water kan toetreden. Volgens deze theorie moet men er in kunnen slagen om op plaatsen, waar de wintertemperatuur langen tijd beneden nul ligt, kunstmatige ijsgrotten te doen ontstaan, waardoor een middel tot proefondervindelijke staving van deze theorie is gegeven.

De meeste ijsgrotten liggen in kalksteengebergten; enkele komen ook in bazalt en gneis voor. Veelal liggen zij niet onbelangrijk boven den zeespiegel en zijn zij naar het N. of O. geopend. Alle zijn naar beneden hellende, van onderen gesloten, zoogenaamde zakgrotten. De grootste ijsgrot van Europa is die van Dobschau (zie aldaar). Andere bekende ijsgrotten zijn die van Besan^on, het Schafloch in den Rothorn in het kanton Bern, het Geldloch aan den Ötscher in Beneden-Oostenrijk en die in den Frauenmauer bij Eisenerz in Stiermarken.

IJsheiligen. Zie Meivorst.

Ijshuis. Zie Ijskelder.

IJshut. Zie Ijskelder.

IJskaap (Icy Cape), een voorgebergte aan de N.W. kust van Alaska, gelegen op 70° 15' N. Br. en 161° 46' W. L. v. Gr., werd in 1778 door Cook ontdekt. Twee andere Ijskapen, Groote en Kleine IJskaap geheeten, vormen met Kaap Mauritius de N.-lijke punten van Nova Zembla.

Ijskast. Zie Ijskelder.

Ijskelder, de ruimte, waarin ijs bewaard wordt, moet door slechte warmtegeleiders van de omgeving gescheiden zijn en een volkomen afvoer Tan het smeltwater toelaten, omdat dit anders de

isoleerende wanden zou doortrekken en deze in goede warmtegeleiders veranderen. Kelders hebben in ons klimaat nooit uit zich zelf een temperatuur beneden nul. Zij moeten dus van dubbele, met een slechten warmtegeleider opgevulde wanden voorzien zijn. Houtwerk verrot in kelders snel, het smeltwater kan slechts moeilijk afgeleid worden en dikwijls heeft men te kampen met grondwater, dat veel ijs doet smelten en de isoleering nat maakt. Praktischèr zijn daarom ijshutten, welke op het N. en zoo mogelijk onder boomen gebouwd worden. Zij hebben dubbele wanden met een tusschenruimte van ongeveer 1 m.; deze tusschenruimte wordt opgevuld met turfmolm, zaagsel enz. De koepelvormige, steenen overwelving is bedekt met een kegelvormig dak van riet. De ruimte tusschen beide is eveneens met een slechten warmtegeleider opgevuld. De bodem wordt, wanneer althans de grond niet poreus is, naar het midden toe hellend gemaakt en daar voorzien van een afvoerkanaal voor het smeltwater. Dit is zóó ingericht, dat lucht van buiten af niet kan toetreden. De toegang ligt op het N. De deur is dubbel en voorzien van een stroomatras. Dikwijls geeft zij toegang tot een portaal, waarvan de diepte gelijk is aan den afstand der beide wanden van den spouwmuur. Voor den ijshandel in groote steden bouwt men, als ten minste geen kunstijs verkocht wordt, groote ijshuizen, waarin het ijs beter kan bewaard worden dan door het over een aantal kleinere ijshutten te verdeelen. In goed ingerichte ijshuizen bedraagt het jaarlijksch verlies door smelting niet meer dan 20— 25%.

Onder ijskelder verstaat men eveneens de ruimten in bierbrouwerijen, waarin ijs bewaard wordt als koelmiddel bij de nagisting en het daarop volgende lageren van het bier. Er blijkt daarvoor evenveel ijs noodig te zijn als het bier weegt. De gist- en lagerkelders zijn aan de N.zijde voorzien van ijskelders, die tot aan den beganen grond reiken. Hier kunnen zij gevuld worden door openingen, welke later worden dichtgemetseld. Van den gist- en lagerkelder is de eigenlijke ijskelder gescheiden door een dunnen wand, waaarin talrijke openingen zijn aangebracht. Door deze openingen komt de warme kelderlucht in aanraking met het ijs, waarna zij afgekoeld weder naar den lagerkelder terugstroomt. Het smeltwater verzamelt zich in een gemetselde goot, waaruit het wordt weggepompt. Een zeer wezenlijke verbetering is door Brainard aangegeven. Daarbij wordt het ijs in een bovengrondsch ijshuis bewaard. De bodem daarvan bestaat uit een rooster van spoorwegrails. Onder het ijshuis ligt de gistkelder. Hij is overwelfd met gegalvaniseerd ijzer, dat door het smeltwater wordt afgekoeld en daarna op zijn beurt de opstijgende warme lucht afkoelt. Onder den gistkelder ligt weder de lagerkelder, die in de eerste plaats van uit den gistkelder en verder door ventilatiekanalen, welke tot in het ijshuis reiken, wordt afgekoeld. Verwant met deze soort ijskelders is de ijskast, een dubbelwandige houten kast, inwendig met zink beslagen en voorzien van een afzonderlijke afdeeling voor het ijs. De ruimte tusschen de wanden is opgevuld met haar, wol, katoen, k^f, infusoriënaarde enz. Bij een ijskast, welke een inwendige oppervlakte heeft van 2,3 v. km. bij een inhoud van 0,222 kub. m. en die voorzien is van een ijshouder voor 16 kg. ijs, bestaan de volgende betrekkingen:

Sluiten