Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderzoekingen, welke sedert 1840 op aansporing van Charpmiier en Agassiz hebben plaats gehad, is gebleken, dat de geweldige ijsmassa's, welke in de hooggebergten en in de poolstreken aanwezig zijn, bij het afsmelten blijvende sporen achterlaten in den vorm van moraines, gletscherkrassen, leemlagen enz. Zoo moeten de groote erratische blokken, welke het land tusschen de Alpen en den Jura bedekken, beschouwd worden als een produkt van een zeer krachtige gletscherwerkzaamheid, waarvan de ontwikkeling in de periode van den ijstijd ligt. Het onderzoek leerde verder, dat de gletschers van die hooggebergten, welke nu nog boven de sneeuwgrens uitsteken, zooals de Alpen, de Pyreneeën enz., toenmaals een veel grootere uitgebreidheid moeten gehad hebben, terwijl verder streken en gebergten, welke thans geen gletschers meer bezitten, zooals Zweden, Finland, Schotland, de Vogezen, het Zwarte Woud enz. deze vroeger wel hebben bezeten. Spoedig vond men dan ook, dat in de sedimentaire lagen van deze streken de overblijfselen van dieren voorkomen, welke thans op veel hoogere breedten of op groote hoogte leven. Zoo vond men overblijfselen van den veelvraat, den witten vos en van het rendier tot aan den voet van de Alpen en de Pyreneeën. De dieren van het hooggebergte, gems, steenbok en mormeldier, bleken toenmaals de vlakte bewoond te hebben. De mossels van de zeeën om Groenland en Spitsbergen werden in Engeland, Schotland en Z. Scandinavië aangetroffen. Analoge verschijnselen nam men waar in N.-Amerika en in Siberië.

Wat de verspreiding der gletschers in den ijstijd aangaat, diene, dat in het Alpen-glcutiaalgebied de Rhönegletscher over het Meer van Genève tot aan den Jura doordrong.De Aargletscher vulde de dalen van het Bemer Oberland, de Reuszgletscher werd gevoed uit de dalen van het kanton Uri, de Linthgletscher bedekte een groot gedeelte van het kanton Zurich, terwijl de Rijngletscher het Bodenmeer en zijn omgeving bedekte en doordrong tot aan de Donau. In het Z. vulden drie groote gletschers de bekkens van het Lago Maggiore, Lago di Como en het Gardameer en schoven hun eindmoraines tot Monza en Peschiera vooruit. De Z.-grens van het Scandinavisch ijs en dus van het N-Europeesche glaciaalgebied liep van de monden van den Rijn langs de Overijselsche Vecht en langs de hellingen van het Rijnsch-Westfaalsche Leisteengebergte, den Harz, het Thuringer Woud en het Erts- en Reuzengebergte tot de N.lijke hellingen van de Karpaten ten 0. van Krakau. in Centraal-Rusland drongen de Scandinavische gletschers, welke in Middel-Noorwegen en Zweden een dikte van ten minste 1700 m. gehad hebben, door tot Kiew en Nisjni-Nowgorod. Kleiner dan het N. Europeesche zijn het Britsche en het Oeral-Timansche glaciaalgebied, alsmede de glaciale gebieden, welke zich aansloten aan den Kaukasus, den Hoogen Tatra en de Z. Karpaten, het Reuzen- en Ertsgebergte, het Zwarte Woud, de Vogezen, den Jura, de Pyreneeën, de Abruzzen enz. Het N. Amerikaansche glaciaalgebied daarentegen is tweemaal zoo groot als het N. Europeesche, waarop het overigens in zijn vormingen gelijkt. Reusachtige eindmoraines liggen ten Z. van de groote meren, rooral bij het Erie- en Michiganmeer. De dikte van de diluviale ijsbedekking van N.-Amerika tusschen de St. Laurens- en de Hudsonbaai wordt op 3200 m. geschat.

Tot verklaring van dezen toestand moet men aannemen, dat na de warmere tertiaire periode langzamerhand een koude periode is ingetreden, welke zich op de geheele N.lijke helft van de aarde deed gelden en dat de meeste verschijnselen, die men vroeger aan een algemeenen zondvloed toeschreef, hun ontstaan aan dezen ijstijd danken. In verschillende streken kan men zelfs aantoonen, dat na een eerste seculaire koude periode weder een stijging der temperatuur plaatshad; gedurende deze verwarming, interglaciaaltijd geheeten, trokken zich de gletschers terug en ontwikkelde zich op sommige plaatsen een weelderige plantengroei, welke daarna, tengevolge van de opnieuw intredende temperatuurdaling, te niet ging. Voor Europa neemt men aldus een opeenvolging van 3 glaciale, gescheiden door 2 interglaciale tijden (Geikie zelfs 6 en B) aan. Vast staat, dat de mensch toen reeds in Europa op sommige plaatsen geleefd heeft en dat belangrijke niveauveranderingen hebben plaats gevonden. Sporen van een ijstijd zijn volgens vele geologen ook reeds in veel oudere geologische tijdvakken voorhanden. Zoo zijn in het carbon van Indië en Australië, alsmede in Afghanistan, in O. en Z. Afrika en in Brazilië conglomeraren gevonden, welke geheel den habitus van een grondmoraine hebben.

Over de oorzaken van deze koude perioden zijn verschillende hypothesen opgesteld. Volgens sommigen moet deze gezocht worden in een anderen weg, dien de Golfstroom gedurende den ijstijd zou hebben genomen. Lyell neemt aan, dat de verdeeling van land en water een andere geweest is, doordat, juist omgekeerd als thans, het N.lijk halfrond het waterrijkste was. Hij wijst op het feit, dat het Z.lijk halfrond nu nog gletschers bezit, die tot de zee afdalen, op breedten, waar de onderste gletschergrens op het N.lijk halfrond op zeer belangrijke hoogten boven den zeespiegel ligt. Verder heeft men gedacht aan vermindering der zonnestraling door vermeerdering van het aantal zonnevlekken en aan een periodieke verandering van de rotatiesnelheid van de zon (Fiseher), waardoor dan 4 ijstijden, een diluviale, een carbonische, een silurisclie en een laurentische zouden moeten worden aangenomen. De meeste aanhangers heeft echter een hypothese van Croll gevonden, welke, in details gewijzigd, de oorzaak van den ijstijd zoekt in de periodieke schommelingen van de excentriciteit van de aardbaan en de helling der ecliptica, gedeeltelijk ook in de seculaire veranderlijkheid van de rotatiesnelheid van de aarde. Terwijl thans de zon langer N.lijk van den aequator staat dan Z.lijk, keeren deze verhoudingen in den loop der tijden om. De verminderde insolatie heeft een verandering van de klimaten en de zeestroomingen tengevolge, welke de gletscherwerkzaamheid doet toenemen. Is deze opvatting juist, dan moet de diluviale ijstijd slechts als de thans laatste van een reeks worden beschouwd. Forel en Heim berekenden, dat de diluviale ijstijd 12000—16000 jaren achter ons ligt. Den duur van den ijstijd schat Warren Upham voor N.-Amerika op 10 000, hoogstens 20 000 jaar.

Ijsvogel of Visch-ijsvogel (Alcedidmae), een onderfamilie der Ijsvogels (Éalcyones), bestaat uit 19 geslachten met ongeveer 160 soorten. Zij hebben een krachtigen, langen, meestal rechten, bijna vierkanten snavel, kleine, zwakke pooten met vier teenen, waarvan 3 naar voren geplaatst en 2 gedeelte-

Sluiten