Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0>a op haar reizen en vertoefde geruimen tijd te Marseille, Genua en Parijs. Hij overleed te Parijs den 2d<'n September 1832. Van zijn werken noemen wij: „Tabulae motuum solis novae et correctae" (1792, met supplement 1804) en „Tabulae speciales aberrationis et nutationis" (2 dln., 1806—1807). Sedert 1796 redigeerde hij de „Allgemeine geographische Ephemeriden", sedert 1800 de „Monatliche Korrespondenz zur Beförderung der Erd- und Himmelskunde" (28 dln., 1800—1813, onder den titel: „Correspondance astronomique" (13 dln., 1818— 1826),

Zacharasiewicz, Jan, een Poolsch schrijver, geboren in 1825 in het Oost Galicisch stadje Radymno, bezocht het gymnasium te Przemysl en werd hier in 1840 in een staatkundig proces gewikkeld en in 1842 tot eene tweejarige gevangenisstraf veroordeeld. Hij onderging haar op den Spielberg, en studeerde vervolgens te Lemberg in de aesthetica, de geschiedenis, de letteren en de wiskunde. Nadat hij zich in 1848 belast had met de redactie van het tijdschrift ,,Postep"(Vooriiitgang), werd hij in het volgende jaar nogmaals om staatkundige redenen tot een driejarige kerkerstraf veroordeeld, welke hij te Theresiënstadt onderging. Daarna redigeerde hij gedurende tien jaar het tijdschrift: „Dziennik literacky", vertrok in 1865 naar het buitenland, woonde eenige jaren te Dresden.deed daarna reizen in Frankrijk en Italië en woonde vervolgens bij afwisseling te Warschau en in Galicië. Van zijn talrijke werken, die meestal een staatkundige strekking hebben, noemen wij: „Aan de grenzen"(1860), „De heilige George" (1862), „Marcvan Kordysz"(1865), „De roode muts" (1869, in 1887 uitgegeven onder den titel „Nemises", 1887), „Het geheime fonds"(1869), „Een slechte zaak"(1876), „Het recht van het onrecht"(1877), „De koninklijke stoel"(1878), „Novellen en vertellingen"(1884), „In de diepte en op de hoogte"(1886) en „Het wapen op de beurs"(1888).

Zacharia of Sacharja is een naam, welke als die van profeten, priesters en koningen meermalen in het Oude Testament vooskomt. De meest bekende van deze mannen is de profeet Zacliarin, een der twaalf Kleine Profeten, wier geschriften bewaard zijn gebleven. Hij keerde met de Israëlieten onder aanvoering van ZerubaM uit de Babylonische ballingschap naar Kanaan terug en wekte het volk op tot herstel van den tempel te Jeruzalem, zooals in de eerste acht hoofdstukken van het naar hem genoemde boek verhaald wordt; de overige zes hoofdstukken zijn volgens de meeste bijbelcritici veel ouder en gedeeltelijk uit de 8ste, gedeeltelijk uit de 7de eeuw vóór den aanvang onzer jaartelling afkomstig.

Zacharia, Justus Friedrich Wilhelm, een Duitsch dichter, geboren teFrankenhausendenlstenMei 1726, studeerde te Leipzig en te Göttingen in de rechten, maar wijdde zich bijna uitsluitend aan de beoefening der fraaie letteren. Aanvankelijk voegde hij zich bij de school van Gottsched, die zijn eerste werk van grooteren omvang: „Der Renommist"(1744), een comisch heldendicht, in het licht zond, scheidde zich echter weldra van hem af en sloot zich bij de richting vertegenwoordigd in de „Bremer Beitrage", aan. Daarop volgden zijn andere comische heldendichten: „Phaëton", „Das Schnupftuch", ,,Lagosiade"(1754) en „Murner in der Hölle"(1757), gedeeltelijk in alexandrijnen, gedeeltelijk in hexameters. In 1748

werd hij leeraar aan het Carolinum te Bnmswijk, in 1761 hoogleeraar in de fraaie letteren en kanunnik. Hij overleed den 30sten Januari 1777. Zijn vertaling van het „Paradise lost" van Milton is over het geheel mat, zijn „Fabeln und Erzahlungen in Burkard Waldis' Manier"(1771) ziin niet onverdienstelijk. Zijn „Poëtische Schriften" zijn van 1763—1765 in 9 deelen in het licht verschenen, in 1781 gevolgd door zijn „Hinterlassene Schriften".

Zacharia, Heinrich Aïbert, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren te Ilerbsleben in Saksen-Gotha den 20stcn November 1806, studeerde aan de hoogeschool te Göttingen, vestigde zich in 1829 als privaatdocent aldaar en werd er in 1835 tot buitengewoon en in 1842 tot gewoon hoogleeraar in de rechten benoemd. Hij nam deel aan de staatkundige beweging van 1848 als lid van het Voor-Parlement en van de Commissie van Vijftig, vervolgens als afgevaardigde van de regeering van Hannover naar den Bondsdag en als lid der Nationale Vergadering. Als tegenstander van de annexatie door Pruisen in 1866 werd hij door de Particularisten in het kiesdistrict Göttingen, in 1867 gekozen tot lid van den Rijksdag van den Noord-Duitschen Bond, waar hij levendig deel nam aan de beraadslagingen over de grondwet. Sedert 1867 vertegenwoordigde hij de universiteit van Göttingen in het Pruisische Huis der Ileeren. Hij overleed op een reis te Kannstatt den 29atpn April 1875. Van zijn geschriften vermelden wij: „Deutsches Staats- und Bundesrecht"(1841—1846; 3tle druk, 2 dln., 1865—1867), „Handbuch des deutschen Strafprozesses"(2 dln., 1860—1868), „Die Lehre vom Versuch der Verbrechen"'(2 dln., 1836— 1839), „Die deutsche Verfassungsgesetze der Gegenwart"(l 855, vervolg 1858 en 1863), „Das Eigentumsrecht am deutschen Kammergut"(1864) en „Zur Frage von der Reichskompetenz gegenüber dem Unfehlbarkeitsdogma"(1871).

Zacharias, een Griek uit Siberena in Calabrië, bekleedde van 741—752 den pauselijken stoel. Hij wist te bewerken, dat iMitprand, koning der Longobarden, de landen teruggaf, die aan het hertogdom Rome en aan het exarchaat waren ontrukt, en keurde het goed, dat de Merovingen van den troon van het Frankische rijk werden verwijderd en opgevolgd door Pepijn. In den beeldenstrijd schaarde hij zich aan de zijde der beeldenvereerders. Hij overleed den 22sten of 23stel1 Maart 762 en werd later heilig verklaard. Zijn gedenkdag valt op den 15den Maart.

Zacharias., O tin, een Duitsch dierkundige, geboren den 278ten Januari 1846 te Leipzig, studeerde aldaar in de wiskunde, de wijsbegeerte en de natuurlijke historie, ondernam verschillende reizen naar het buitenland, was in Z. Italië gedurende langeren tijd als gouverneur werkzaam en wijdde zich daarna aan de studie van de zoetwaterflora en -fauna. Van 1884—1890 bezocht hij het merengebied van Holstein, Pommeren en W.-Pruisen, alsmede die van het Reuzen-, Iser- en Glatzergebergte. Later ondernam hij ook studiereizen naar Frankrijk, Italië, Zwitserland en Tunis. Ondersteund door de Pruisische regeering en door verschillende particulieren, slaagde hij in 1891 erin om aan het Plönermeer een biologisch station op te richten, waarvan hij directeur werd. Behalve bijdragen in vaktijdschriften, schreef hij: „Charles R. Darwin und die lailturhistorische Bedeutung seiner Theorie vom Ursprang der Arten"(1882), „Die Bevölkerungsfrage in ihrer Be-

Sluiten