Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziehung zu den sozialen Notstanden der Gegenwaxt" (5de druk, 1892), „Uber geloste und ungelöste Probleme der Naturforschung"(2de druk, 1887), „Bilder und Skizzen aus dem Naturleben"(1889), „Die Tierund Pflanzenwelt des Süszwassers" (2 dln., 1891), „Katechismus des Darwinismus"(1892), „Quantitative Untersuchungen über das Limnoplankton" (1896), „Ergebnisse einer biologischen Exkursion an die Hochseen and Moorgewasser des Riesengebirges" (met Lemmermann, 1896), „Das Plankton als Gegenstand der naturkundlichen Unterweisung in der Schule"(1907) en „Das Süszwasserplankton" (1907). Jaarlijks geeft hij een verslag van de verrichtingen van het Plöner biologisch station uit, van 1893— 1904 als „Forschungsberichte" (12 dln.), daarna als „Archiv für Hydrobiologie und Planktonkunde".

Zacharia von Lingenthal. Karl Salomo, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren te Meiszen den 14den September 1769, studeerde te Leipzig, in de rechten, zette van 1792—1794 als leidsman van den graaf zur Lippe zijn studiën te Wittenburg voort, werd er in 1794 privaat-docent, werd in 1797 benoemd tot buitengewoon en in 1802 tot gewoon hoogleeraar in de rechten en vertrok in laatstgenoemde betrekking in 1807 naar Heidelberg. Hij overleed aldaar den 27Bten Maart 1843. Zijn voornaamste werken zijn: „Vierzig Bücher vom Staat" (6 dln., 1820—1832,; omgewerkte uitgave, 7 dln. 1839—1843), „Handbuch des französischen Zivilrechts"(2 dln., 1808, 8ste druk van Karl Crome, 4 dln., 1894—1895), dat door Auberg en Eau in het Fransch werd vertaald (4de druk, 8dln., 1869—1874). In 1842 werd hij met den naam Von Lingenthal in den adelstand opgenomen. Zijn zoon Karl Eduard (zie aldaar) heeft den „Biographischen und juristischen Nachlasz"(1843) van zijn vader uitgegeven.

Zacharia von Lingenthal, Karl Eduard, een zoon van den voorgaande, eveneens een Duitsch rechtsgeleerde, werd geboren den 21stcn December 1812 te Heidelberg, studeerde te Leipzig, Heidelberg en Berlijn in de rechten, vestigde zich in 1836 te Heidelberg als privaat-docent en werd in 1842 buitengewoon hoogleeraar aldaar. Hij hield zich vooral bezig met studiën over het Byzantijnsch recht. In 1845 nam hij zijn ontslag als buitengewoon hoogleeraar en vestigde zich op zijn landgoed Groszkmehlen bij Ortrand in het distrikt Merseburg. In 1850 werd hij lid van het Parlement te Erfurt, van 1852—1855 was hij afgevaardigde naar de Pruisische Tweede Kamer, in 1866 werd hii lid van het Huis van Afgevaardigden. Hij overleed te Groszkmehlen den 3den Juni 1894. Van zijn werken noemen wij: „Historiae juris Graeco-Romani delineatio cum appendice ineditorum" (1839), „Geschichte des griechisch-römischen Privatrechts"(1864), „Jus graeco-romanum"(7 dln., 1856—1884) en zijn uitgave van de „Justiniani Novellae"(2 dln., 1881; aanhangsels 1884 en 1891).

Zacher. Ernst Julius August, een Duitsch taalgeleerde, geboren te Obernigk in Silezië den 15den Februari 1816, studeerde te Breslau, vertoefde eenige jaren in het buitenland, en zette zijn studiën voort te Berlijn. In 1847 aanvaardde hij een betrekking aan de universiteitsbibliotheek te Halle, vestigde zich in 1854 als privaat-docent aldaar en werd er in 1856 buitengewoon hoogleeraar. In 1859 vertrok hij als opperbibliothecaris naar Koningsbergen, maar moest wegens een oogziekte zijn ambt neerleggen. In 1863 keerde hij naar Halle terug, waar hij tot hoog¬

leeraar in de Duitsche taalwetenschappen werd benoemd. Hij overleed aldaar den 23sten Maart 1887. Van zijn geschriften vermelden wij: „Das gotische Alphabet Vulfilas" und das Runenalphabet"(1855), „Die Historie von der Pfalzgrafin Genovefa"(1860), „Die deutschen Sprichwörtersammlungen nebst Beitragen zur Charakteristik der Meusebach'schen Bibliothek"(1852), „Pseudo Callisthenes"(1867) en „Alexandri Magni iter ad Paradisum"(1859). Met Hopfner redigeerde hij sedert 1870 het „Zeitschrift für deutsclie Philologie."

Zachle, een bloeiende stad met veel nijverheid, ligt in het Aziatisch-Turksch district Libanon, 945 m. boven den zeespiegel op de oostelijke helling van den Libanon, ten zuidwesten van Baalbek. Men vindt er veel wijnbouw, 26 kerken, 13 scholen, 3 groote hotels enz. De plaats is de zetel van een Griekschorthodoxen en van een Grieksch-Katholieken bisschop. Met El Moe'alla is Zachle een station van de spoorlijn Beiroet—Damascus. Te zamen tellen beide, plaatsen ongeveer 30 000, Zachle alleen 16 674 inwoners.

Zachtleven. Zie Saftleven.

Zacintha Ad. is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Saamgesteldiloemigen (Contpositae). Het onderscheidt zich door een veelbloemig bloemhoofdje en door een 8-bladerig omwindsel, dat na het bloeien de buitenste dopvruchtjes omhult, door een naakten bloembodem en plat samengedrukte, ongevleugelde, in een snavel uitloopende dopvruchtjes. De eenige bekende soort is Z. verrucosa Gaerln., een zomergewas, dat aan den oever der Middellandsche Zee gevonden wordt. Uit den kleinen, spilvormigen, vezeligen wortel verheft zich een opgaande, gaffelvormig vertakte stengel. De wortelbladeren gelijken op die der paardebloemen (Taraxacum officinale of Leontodon Taraxacum). De onderste stengelbladeren zijn vindeelig en de hoogere stengelomvattend en pijlvormig, aan den voet scherp getand en aan den top spits uitloopend. De bloemhoofdjes zijn eindstandig en de bloempjes geel en van buiten bruin. Vroeger werd deze plant onder de geneeskrachtige gewassen gerekend.

Zacut of Zacuto, een Portugeesch geneesheer, geboren te Lissabon in 1575, was een achterkleinzoon van den geleerden Israëliet Abraham Zacut te Salamanca, den schrijver van „Jaarboeken der Israëlietische geschiedenis" en in 1492 uit de rijken van Ferdinand en Isabella verbannen. De achterkleinzoon, in den Christelijken godsdienst opgevoed, bezocht de hoogescholen te Coïmbra en Salamanca en werd aan die te Seguenza bevorderd tot doctor in de geneeskunde. Toen Philips IV in 1625 het bevel uitvaardigde, dat alle Israëlieten Portugal moesten verlaten, vertrok Zacut, ofschoon hij zich voor het uitwendige als Christen had gedragen, naar Amsterdam, omhelsde er den godsdienst zijner vaderen, verwierf er als arts de algemeene achting en overleed den 21sten Januari 1642. Van zijn geschriften vermelden wij: „De medicorum principum historia libri sex"(1637), gevolgd door een tiental boeken over verschillende ziekten. Zijn gezamenlijke werken werden in het Latijn in twee deelen in 1649 uitgegeven. Ook heeft hij onderscheidene geneeskundige handschriften nagelaten.

Zadel noemt men een toestel, dat op den rug van het paard wordt bevestigd, om aan den ruiter | een gemakkelijke zitplaats en aan het paard een meer

Sluiten