Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zalmen, waarbij men duidelijk een „voortplantingstrek" (het optrekken der rivieren) en een „voedingstrek" (het trekken naar zee) kan onderscheiden. In alle maanden van het jaar, doch vooral in den zomer, komen de zalmen van uit zee onze rivieren opzwemmen. In scholen van 30 tot 40 stuks naderen zij den mond der rivier, waar zij eenigen tijd vertoeven, teneinde aan den overgang van zout in zoet water te gewennen. Bij het stroomopwaarts zwemmen vormen zij twee reeksen, welke van voren in een scherpen hoek ineenvloeien; een oude, krachtige visch plaatst zich hierbij aan de spits. Naar den aard der zalmen welke de rivieren opzwemmen, onderscheidt men in het jaar twee perioden. In de eerste, welke van November tot Mei duurt, worden de meer dan 10 kg. zware z.g. „Winterzalmen" gevangen; daarna worden deze Groote zomerzalmen genoemd. In November zijn de voorttelingsorganen dezer dieren nog weinig ontwikkeld, later in den tijd neemt deze ontwikkeling toe. In de Meimaand begint de trek der z.g. „Kleine Zomerzalmen". Deze zijn hoogstens 7'/t kg. zwaar en komen in geslachtsrijpheid overeen met de laatste winterzalmen. Ook bij hen neemt later in den tijd de geslachtsrijpheid toe. Verder in den tijd worden deze zwaarder en ook talrijker, het talrijkst omstreeks den tijd van St. Jacobus (25 Juli), waarnaar deze zalmpjes „St. Jacobzalmen" of „Jacobjes" genoemd worden. Zij hebben dan een gewicht van ongeveer 31/, kg. Verreweg het meerendeel dezer zalmen behooren tot het mannelijk geslacht, terwijl ook bij hen de geslachtsrijpheid toeneemt, naar gelang van den tijd, waarin ze de rivier opzwemmen. Gedurende den trek stroomopwaarts nemen de zalmen geen voedsel tot zich; hom en kuit ontwikkelen zich uit het in zee overvloedig opgenomen voedsel, in het lichaam aanwezig hoofdzakelijk in den vorm van eiwit en vet. Geen moeiten ontzien zij,het doel van hun reis,den bovenloop der rivier, te bereiken. Kleine watervallen zijn voor hen geen beletsel. Met behulp van hun krach tigen staartvin weten zij sprongen tot 3 m. hoogte en 6 m. spanwijdte te maken. Men noemt kleine watervallen in rivieren, waar dit geschiedt „zalmsprongen". Vooral in gekanaliseerde rivieren heeft men in het belang der zalmvisscherij „vischpassen" of ..vischtrappen" aangebracht, thans meestal bassins trapsgewijze boven elkaar geplaatst, waardoor eenig water stroomt; de kracht van het naar beneden stroomende water is hier gebroken en kunnen tot tijdelijke rustplaatsen voorde opspringende visschen dienen. De tocht naar den bovenloop der rivier duurt in den regel verscheidene weken. Eenmaal daar aangekomen, zoekt het vrouwelijk dier, meestal begeleid door meer dan één der mannelijke dieren, een geschikte plaats; in de kiezel wordt een kolk gemaakt en daar schuurt zij over met den buik en strijkt zoo hare eieren af. Deze hebben een diameter van 5—7 mm. en zijn bruinrood gekleurd. In het geheel worden van 10—20 000 eitjes gelegd, hetgeen verscheidene dagen vordert. De paaitijd valt in verschillende tijden van het jaar, hoofdzakelijk van October—Februari.

Tijdens het paaien „staan" de mannelijke dieren ongeveer 1 m. stroomopwaarts van de vrouwelijke; het geloosde homvocht wordt door den stroom naar de eitjes gevoerd en deze zoodoende bevrucht. Eerst na 90 tot 130 dagen komen de jonge dieren uit het ei te voorschijn. Na het eerste levensjaar hebben zij een

XVI

lengte van 10—15 cm. bereikt. De dieren, welke gepaaid hebben, ondernemen spoedig den „voedingstrek". Het heerlijke roode, vette vleesch is van den „optrekkenden" visch; dat van den „aftrekkende" is bleek en mager, ja vrijwel oneetbaar. In zee teruggekeerd, herstellen zij zich echter in zeer korten tijd.

Tot de zalmen een leeftijd van ongeveer 8 maanden bereikt hebben, worden ze parris genoemd. De romp heeft alsdan een lichtbruine kleur en is op de zijden geteekend met 9 of 10 grijze dwarsbanden, waartussclien zich roode stipjes bevinden. Op het kieuwdeksel bevinden zich 2 soms 3 zwarte vlekken. Omstreeks dezen tijdondergaat het uiterlijk van de parris groote veranderingen. De kleur wordt zilverwit, de borstvinnen zwart, de rug- en staartvin gedeeltelijk zwart. Dit kleed noemt men het smoltkleed en de jonge zalmen in dit stadium smolts. De smolts beginnen langzaam naar zee te trekken, de z.g. „voedingstrek". Enkele smolts, meestal mannetjes, blijven nog een jaar op de rivier achter. Eerstgenoemde smolts komen na een 2-jarig verblijf in zee als Groote Zomerzalm in het zoete water terug; laatstgenoemde komen na een 1-jarig verblijf als Kleine Zomerzalmen terug. Jacobjes zijn zalmpjes, welke omstreeks Maart geboren zijn en na een verblijf van 14 maanden in zee op ruim 2jarigen leeftijd de rivier optrekken.

Voor de zalmvangst dienen vooral drijfnetten, zegens en zalmsteken. (Zie hierover Vischtuigen en Visscherij).

Onder de meer bekende zalmsoorten noemen wij de Zeeforel (Salmo trutta), de Meerforel (Salmo lacustris), de Gewone Forel of Rivierforel (Salmo fario), de Roode Forel (Salmo salvelinus) en de Donau Zalm (Salmo hucho).

De Zeeforel (Salmo trutta), in Duitschland Lachsforelle, Süberlachs, Strandlachs, Trump of Weiszforelle, in Frankrijk: Fruit de mer en in Engeland Seatrout, Samontrout, Bulltrout of Whitetrout genoemd, heeft een meer cylindervormig en meer ineengedrongen lichaam dan de zalm. De rug is in den regel blauwgrijs, de zijden en de buikzijde zilverwit en versierd met enkele zwarte vlekken. Bij oude dieren zijn de borstvinnen grijs, de rug- en staartvin zijn donkergrijs en bedekt met enkele zwarte vlekken. Zij is dikwijls uiterst moeilijk van de gewone zalm te onderscheiden en het meest kenmerkende onderscheid levert het ploegschaarbeen (oomer). Zij kan tot 1 m. lang en 15 kg. zwaar worden. Haar verbreidingsgebied omvat de Noordzee, de Oostzee, het noordelijk deel van den Atlantischen Oceaan en de Noordelijke IJszee tot de Witte Zee. Ook onze rivieren trekt zij op, maar niet in grooten getale en in den regel slechts in kleine ex.; meer (door onze visschers schotjes of schotsche zalmen genoemd), overvloedig echter in de Schotsche, Skandinavische en Russische wateren. In Mei Juni en Juli zwemt zij de rivieren op, doch minder ver dan de zalm. De paaitijd valt in November en December, hoewel ook in alle andere maanden van het jaar geslachtsrijpe exemplaren gevangen worden. De zeeforel behoort tot de meest waardevolle zalmvisschen en wordt vooral in Sleeswijk-Holstein op vrij groote schaal in de kunstmatige vischvijvers gekweekt.

De Meerforel (Salmo lacustris), in Duitschland Seelachs of Goldlachs, in Frankrijk Fruite saumonée en in Engeland Lake trout of Buil trout genoemd,

Sluiten