Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt zeer veel overeen met de zalmforel. Zij wordt beschouwd te zijn een zalmforel, die door het langdurig verblijf in het zoete water, een volstrekte zoetwatervisch geworden is. Zij bewoont de Alpenmeren van Zwitserland, Duitschland, Oostenrijk en Italië. Ook deze visch wordt met goed succes kunstmatig gekweekt.

De Gewone Forel of Beekforel (Salmo fario) heeft van de inheemsche zalmvisschen den meest ineengedrongen lichaamsbouw. Haar romp is bijna cylindrisch, de snuit kort en zeer stomp. Eigenaardig zijn de kleurwisselingen, die dit dier kan ondergaan. Zij overtreft in dit opzicht de kameleon. Ook aan het vleesch merkt men verschil van kleur op. In den regel wordt de Rivierforel niet langer dan 60 cm. en zwaarder dan 1 k.g., onder gunstige voedingsomstandigheden kan zij tot 90 cm. lang en 5—6 kg. zwaar worden. De Rivierforellen worden door geheel Europa en Klein-Azië gevonden, overal waar helder, stroomend, zuurstofrijk water aanwezig is, dus in bergbeken en rivieren. In de beken van den Siërra Nevada vindt men ze nog op een hoogte van 3000 m. Bij ons komen ze slechts in enkele beken van Limburg en Gelderland voor. Het zijn echte roofvisschen. Voor de kunstmatige vischteelt zijn zij van

giuuu uciaug, uaai zjij uuitciigcwuuii gc-

schikt zijn om gekweekt te worden en een hooge waarde vertegenwoordigen.

De Roode Forel (Salmo salvelinus), in Duitschland Saibling of Rotforelle, in Frankrijk Ombre chevalier en in Engeland Cliarr genoemd, bewoont hoofdzakelijk de hooge, diepe bergmeren van Schotland, Skandinavië, Beieren, Zwitserland en Oostenrijk. Zij wordt gerekend tot de voortreffelijkste der zalmvisschen. De kleur is aan den rug blauwgrijs, aan de zijden geelwit, aan den buik oranje. Aan

de zijden bevinden zich dikwijls ronde witte, gele of ook wel oranje vlekken. Zeer afhankelijk echter is de kleur van ouderdom, geslacht en verblijfplaats.

De Donau-Zalm (Salmo hucho), in Duitschland Huchen, Hauch of Donaulachs genoemd, heefteen langwerpig, bijna cylindrisch lichaam. De rug is groenachtig, donkerbruin of blauwachtig grijs van kleur op de zijden langzaam overgaande in het zilverwit van den buik. Het geheele lichaam, doch vooral de kop en de rug, is bedekt met zwarte stippels, waartusschen zwarte vlekken voorkomen, welke aan het staartgedeelte en aan de onderzijde halvemaanvormig zijn. Bij zeer oude visschen is de grondkleur lichtrood. De vinnen zijn witachtig en ongevlekt. Deze zalmen worden tot 2 m. lang en 60 kg. zwaar. Zij worden alleen gevonden in het stroomgebied van den Donau. De paaitijd valt in het hartje van den zomer.

Ten slotte noemen wij nog de Amerikaansche Beekforel (Salmo fontinalis), in Amerika Brook trout genoemd, welke de snelstroomende bergrivieren van Canada en de zijrivieren van den Mississippi bewoont en veel overeenkomst heeft met de vorenbeschreven Roode Forel (Salmo salvelinus) en de Regenboogforel (Salmo irideus), in Amerika Rainbow trout genoemd, welke den middelloop van de rivieren en beken aan de Westkust van de Vereenigde Staten bewoont. Beide soorten worden met succes in Duitschland kunstmatig gekweekt, hoewel de pogingen om de Regenboogforel in de vrije wateren te

poten en zelve zich daar te doen voortplanten, zijn mislukt.

2. Coregonus (Houtingen of Adelvisschen) zijn kleine en middelmatig groote zalmvisschen, welke in voorkomen en beschutting witvisschen gelijken. De mond is klein en tandeloos of met zeer fijne lichtuitvall Lnde tanden gewapend. Zij hebben een kleine vetvin en een hooge rugvin. De ongeveer 40 bekende soorten komen in gestalte en leefwijze zoozeer overeen, dat ze moeilijk te onderscheiden zijn. Zij bewonen de zeekusten en het zoetwater van het noordelijk halfrond. Hiertoe behooren: de ook bij ons welbekende Houting (Coregonus oxyrhynchus) (zie de afbeelding) in Duitschland Schnapel genoemd. Deze is gemakkelijk herkenbaar aan den ver over den onderkaak vooruitstekenden weeken snuit. Zij wordt hoogstens 60 cm. lang en 1 kg. zwaar. De Houting voedt zich met kleine kreeftdieren, mosselen en wormen. Zij bewoont hoofdzakelijk de Noord- en de Oostzee en begeeft zich van hier omstreeks Mei naar de rivieren. Bij ons komt zij menigvuldig voor in onze beneden rivieren, vanwaar zij in het najaar naar boven trekken om te paaien. Het vleesch van de Houting is zeer smakelijk en wordt vooral gerookt en gebakken gegeten.

Coregonus oxyrhynchus.

De Kleine Marene (Coregonus albula) onderscheidt zich van de Houting en van alle andere soorten van Houtingen doordat de onderkaak meer naar voren steekt dan de bovenkaak. Dit vischje, dat hoogstens 25 cm. lang wordt, bewoont de meren van Noord-Duitschland, Skandinavië en NoordRusland.

De Groote Marene (Coregonus lavarelus), iu Duitschland Edelmardne en in Frankrijk Fera genoemd, heeft een eenigszins gedrongen lichaam en een kleinen kop, waarvan de weeke bovenkaak snuitvormig is en ietwat verder vooruitsteekt dan de onderkaak. De bek is tandeloos of met uiterst fijne tandjes bezet. De bovendeelen zijn groenachtig gekleurd, de zijden en de buik wit; de vinnen zijn zwart gezoomd; de bovenkop met talrijke zwarte vlekken geteekend. Zij bewonen hoofdzakelijk de Oostzee, vooral de Botnische en Finsche Golf en de meren van Noord-Duitschland. Deze meren bezoekt zij in den herfst. De Wilte Houting of Bodenrenke (Coregonus fera), welke de Zwitsersche en Oostenrijksche meren bewoont, heeft veel overeenkomst met de Groote Marene (Coregonus lavarelus).

De Blauwe Houting (Coregonus wartmanni) in Duitschland Blaufelchen of Renke, in Frankrijk Palée of Lavaret genoemd is een weinig breeder dan de overige Houtingen. Boven- en onderkaak zijn even lang, De kop en de rug zijn zwartachtig blauw gekleurd, de zijden en de buik zilverwit. De vinnen zijn donkergrijs van kleur en zwartgezoomd. Zij bewoont de

Sluiten