Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ticale wateruitwisseling in de zee zoolang, totdat de geheele watermassa de temperatuur van het (verlaagde) vriespunt heeft bereikt, en eerst dan vormt zich onder afscheiding van zout een ijslaag.

De gemiddelde temperatuur van het zeewater beweegt zich aan de oppervlakte in het algemeen tusschen iets beneden 0° C. tot boven 28° C. Een gemiddelde warmtegraad onder 0° C. vindt men, afgezien van het zuidelijk halfrond, slechts in de Noordelijke IJszee ten N. van IJsland tot Jan Mayen en de oostkust van Groenland. De hoogste temperaturen bezitten het zuiden van de Roode Zee, de Perzische Golf en de Austraal-Aziatische Middelzee. Terwijl echter in liet algemeen in deze echt tropische zee de temperatuur meestal beneden de 30° blijft, zijn op vele plaatsen in de eerstgenoemde zeeën temperaturen van 35° en 36° C. geen zeldzaamheid. De lijnen, die de'gelijke temperatuur aan de oppervlakte aangeven (isothermen) loopen in het algemeen, vooral op de hoogere breedtegraden van het zuidelijk halfrond, evenwijdig met de breedtecirkels; op sommige plaatsen vertoonen zij echter belangrijke afwijkingen, bijv. in den Grooten Oceaan ten W. van Zuid-Amerika in de nabijheid van den aequator, verder in den Atlantischen Oceaan van de oostkust van de Vereenigde Staten tot Noord-West-Europa, waar de isothermen niet van het W. naar het O., maar van het Z. W. naar het N. O., op sommige plaatsen zelfs van het Z. naar het N. loopen. Meestal ontstaan deze afwijkingen door de zeestroomen (zie aldaar). Een warmteverschil in de nabijheid van de kusten ontstaat tengevolge van de heerschende winden. Een wind, die naar de kust toewaait, bewerkt een opstuwing van het warme water aan de oppervlakte, een wind, die van de kust afwaait, bewerkt een wegvloeiing van dit water, waardoor een opstuwing van het koude water uit de diepte volgt. Daardoor ontstaat een verticale circulatie van het water, aan de zoogenaamde loefkusten een afdalende, aan de leikusten een opstijgende beweging. Leikusten zijn in de passaatstreek de westkusten van de vastelanden, de oostkusten daarentegen zijn loefkusten. In het algemeen neemt de temperatuur in de bovenste waterlagen in verhouding tot de diepte snel af, op grootere diepten daarentegen blijft zij tamelijk'constant. Gemiddeld bedraagt in tropische zeeën het temperatuursverschil aan de oppervlakte en op 1000 m. diepte 15°—20°, tusschen 1000 en 2000 m. slechts 2°—4°, terwijl op nog grootere diepten 1000 m. diepteverschil slechts een temperatuursverschil van 0,5°—1° te weeg brengt. De geweldige watermassa's zijn op een groote diepte zeer koud en bezitten een gelijkmatige temperatuur, bijna geheel onafhankelijk van de geografische breedte. Hoe dieper men komt, hoe minder invloed de geografische breedte uitoefent. Terwijl de temperatuur zich aan de oppervlakte gemiddeld beweegt tusschen 0°—28°, bestaat er, afgezien van de ook op grootere diepte abnormaal warme Roode Zee, op een diepte van 400 m. een gemiddeld verschil van 18°, op 1000 m. diepte van + 5°, op diepten van meer dan 4000 m. van 1 a 2°. Opmerkelijk is het feit, dat in de diepte niet, zooals aan de oppervlakte, de warmste waterlagen in de nabijheid van den aequator liggen, maar dat zij zich in de subtropische en gematigde streken bevinden, terwijl de diepzeetemperaturen in de nabijheid van den aequator naar verhouding zeer laag zijn. De oorzaak van dit eigenaardig verschijnsel is

nog niet met zekerheid bekend; waarschijnlijk is het een gevolg van horizontale en verticale bewegingen van het water, op dezelfde wijze als de waterbewegingen, die de loef- en leikusten doen ontstaan. De laagste bodemtemperaturen vindt men daar, waar in de diepte een vrije verbinding met de IJszeeën bestaat, de laagste (—1,3°) heeft men waargenomen in de nabijheid van de Faröer; tot nu toe zijn zulke lage temperaturen van het grondwater op het zuidelijk halfrond niet bekend. Zooals reeds gezegd, is het temperatuursverschil op groote diepten echter zeer gering en is het water aldaar ijskoud.

Terwijl een kleine hoeveelheid zeewater volkomen helder en kleurloos is, vertoont het in de open zee een blauwe kleur. Op sommige plaatsen, vooral wanneer ze ondiep zijn en in de nabijheid van de kust en riviermonden, is het groen. De voornaamste oorzaak van de verschillende kleur is de verschillende hoeveelheid van de zich in het zeewater bevindende organische en anorganische stoffen. Het zeewater kaatst van de invallende lichtstralen voornamelijk de blauwe terug, terwijl de roode en gele 'geabsorbeerd worden. Hoe zuiverder het is, des te volkomener worden de roode en gele stralen geabsorbeerd, zoodat zuiver zeewater diepblauw schijnt. Bevat het water andere bestanddeelen, dan worden ook de roode en gele straten teruggekaatst, de teruggekaatste kleur bestaat voornamelijk uit gele en blauwe stralen, waardoor het water groen lijkt. In de open zee veroorzaken vooral de mikro-organismen van het plankton (zie aldaar) een afwijking van de blauwe kleur. De vuilgele of bruine kleur aan kusten en voor riviermondingen ontstaat door mechanische verontreinigingen en bijmengsels van het water, die deels van den zeebodem zelf afkomstig zijn, deels door de rivieren worden aangevoerd.

Een eigenaardig verschijnsel is het lichten der zee (zie aldaar), dat men soms in donkere nachten op alle zeeën, vooral echter in de tropen, kan waarnemen.

De gemiddelde hoogte van den zeespiegel vormt den grondslag voor alle hoogtemetingenjop het vaste land, die door jarenlange metingen met peiltoestellen (zie aldaar) vastgesteld zijn. Tusschen den gemiddelden waterstand van verschillende zeeën bestaat verschil; waarschijnlijk bedragen deze afwijkingen evenwel niet meer dan 10—20 c.m.; zij worden veroorzaakt door winden, stroomingen en het soortelijk gewicht van het water. In Nederland rekent men algemeen naar het Amsterdamsch peil (zie aldaar).

De zee is onderworpen aan drie min of meer regelmatige bewegingen: de golven, de getijden en de zeestroomen (zie deze afzonderlijke artikelen).

De zeeflora is arm in verhouding tot die van het vasteland. Terwijl op liet vasteland slechts weinig plaatsen zijn, waar in het geheel geen plantengroei heerscht, is de verbreiding der planten op zee beperkt; bij 100 m. diepte zijn zij reeds sterk afgenomen, bij 400 m. verdwijnen zij geheel. Ook zijn de zeeplanten, afgezien van diatomeeën (zie Algen) en de miskroskopisch kleine vormen, die meewerken tot het ontstaan van het plankton (zie aldaar), gebonden aan de nabijheid van het land. Behalve deze zijn er geen pelagisclie planten, want de wiermassa's, die men op sommige plaatsen in groote hoeveelheden bijeenvindt en daar drijvende eilanden vormen (zie Sargassum), zijn van kuststreken afkomstig. In te-

Sluiten