Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

orde der Achterkieuwigen (Opisthobranchia), zijn zeeslakken met een zeer kleine of zonder schelp en met harde, hoornachtige platen in de maag om het plantaardig voedsel fijn te wrijven. Hiertoe behoort het geslacht Zeehaas (Aplysia), tamelijk groote dieren, waarvan het achterste paar voelhorens doet denken aan hazenooren. De mantel is rechts en links verbreed tot groote slippen, waarmede het dier zich voortbeweegt. Het meest bekend zijn: Apsylia limacina, welke een lengte van 30 cm. bereikt en de iets kleinere Apsylia depilans in de Europeesche zeeën, die bij de Romeinen voor het bereiden van tooverdranken werd gebruikt. Wanneer zij wordt geprikkeld, scheiden de mantelklieren van de Apsylia limacina in groote hoeveelheid een fraai ▼iolette vloeistof uit; de Apsylia depilans daarentegen scheidt slechts weinig violette, maar veel melkachtige, zure en sterk riekende vloeistof uit.

Zeehonden (Phocidae; zie de plaat), een familie uit de orde der Robben, zijn zoogdieren met langgestrekt, naar achteren dunner wordend lichaam, korte aansluitende beharing,meestal rondachtigenkop zonder uitwendig oor, groote oogen,neusgaten en gehoorgangen, welke afgesloten kunnen worden, korte ledematen met teenen, van nagels voorzien, en zeer korten staart. Zij zijn het meest verbreid van alle robben, bewonen de wereldzee, maar ook groote binnenzeeën, welke daarmede zijn of vroeger waren verbonden. Vooral binnen den Noordpoolcirkel komen een groot aantal soorten van deze familie voor. Aan de bewoners der Noordpoolstreken leveren zij zoowel voedsel, kleeding als dakbedekking. De Europeanen gebruiken de huiden, het wolhaar ▼an de jongen en de traan. De familie omvat 13 geslachten met ongeveer 21 soorten. In alle zeeën van het N. lijk halfrond leeft de Gewone Zeehond (Phoca titulina L.), ook wel Zeerob en Zeekalf geheeten. Hij wordt tot 1,9 m. lang (de wijfjes zijn grooter dan de mannetjes), heeft een eironden kop met korten snuit, groote, donkere oogen en is geelachtig grijs, met donkere, groen tot zwarte vlekken op den rug. In het algemeen verwijdert hij zich niet meer dan 30 zeemijlen van de kust. Hij zwemt niet zelden de rivieren op en wordt dan somtijds wel eens in steden aangetroffen. Hij zwemt en duikt voortreffelijk, maar is op het land onbeholpen, ofschoon hij er zich snel voorwaarts beweegt. Langer dan 8 minuten vertoeft hij er niet. Hij slaapt in het water; om uit te rusten, zich te koesteren enz. begeeft hij zich echter gewoonlijk op ijsschotsen of den oever. Zijn stem gelijkt op heesch geblaf. Hij voedt zich met visschen, weekdieren en kreeften. Het wijfje werpt op eenzame plaatsen één, zelden twee jongen. Hij kan zeer goed afgericht worden. De grootste Tan de Europeesche Zeehonden is de Grijze Zeehond (Phoca [Halicoerus} grypus Niss.), ook Kegelrob geheeten; 4 m. lang en buitengewoon wild, leeft hij op de kusten van Schotland en Ierland, soms ook op de Duitsche kust. Op onze kusten wordt ook de Kleine Zeehond (Phoca foelicta) aangetroffen. Een zeldzaam voorkomende zeehond is de Zeemonnik of Monniksrob (Leptonix monachus Wagn.), 4 m. lang, met witte vlekken en strepen. Hij leeft in de Middellandsche Zee en is aan het uitsterven. Waarschijnlijk gaf hij aanleiding tot de sage van de zeemeermin. De Groenlandsche Zeehond of Zadelrob (Phoca groenlandica Nilss.), 2 m. lang, met langwerpigen, kalen snuit en plat voorhoofd, is

van veel belang voor de Groenlanders, die zijn vleesch eten, de traan voor verlichting, zijn huid voor kleeding, tentbedekking en voor den bouw van booten, zijn darmen voor zeilen en vensters en zijn beenderen voor werktuigen gebruiken. Naast het geslacht Zeehond (Phoca L.) behoort tot de familie der Zeehonden o. a. ook het geslacht Blaasrób (Cijstophora). Zie Blaasrobben.

Zeekaarten (zie de kaart bij het art. Noordzee) zijn kaarten, waarop de zeeën of hun onderdeeIen zijn afgebeeld met of zonder de naburige kusten, de daarin gelegen eilanden, klippen, banken, platen, ondiepten, zeestroomen, vuurtorens en verdere voor de scheepvaart bestemde lichten en bakens, kompasrozen en alle overige hulpmiddelen, die de schepen bij het bepalen van hun koers van dienst kunnen zijn. De diepte der zee wordt door Arabische cijfers in meters, vademen of voeten vermeld, terwijl langs de kust en in ondiep water de diepte door lijnen (isobathen), harceering of klenrengordels in zachte blauwe tinten wordt voorgesteld. De gesteldheid van den bodem wordt door bepaalde afkortingen aangeduid (bijv. f. gr. Z. m. S. = fijn grauw zand met schelpen). De kustlijn en de van zee uit zichtbare hoogten worden zorgvuldig op de zeekaarten aangegeven, evenals de hoogte van de vuurtorens en andere belangrijke oriënteeringspunten. De opgaven van hoogte en diepte hebben betrekking op een bepaalden (gemiddelden of laagsten) waterstand. Pijltjes, die met den stroom meegaan, duiden de richting der zeestroomen, kleine daarnaast geplaatste cijfers haar snelheid, ankers de ankerplaatsen, Romeinsche cijfers den haventijd aan. De zeekaarten worden geteekend in Mercatorprojectie, die het voordeel heeft, dat de koers van het schip, zoolang het niet van richting verandert, door een rechte lijn wordt aangeduid. Zij worden onderscheiden in algemeene of overzichtskaarten, zeilkaarten, kustkaarten, bijzondere of speciale kaarten en havenplannen.

De oudste ons bekende zeekaarten zijn die van Marino Sanulo (1306—1324) en Pedro Vesconte (1318). Gedurende de Middeleeuwen waren de zoogenaamde Kompaskaarten (zie Landkaarten) in 1 gebruik, wier gebreken eerst verholpen werden door invoering van de Mercatorprojectie (zie Iiaart■projectieleer). De meeste (meer dan 4000) en beste zeekaarten leverde in den nieuweren tijd de Britsche Admiraliteit.

Zeekabel. Zie Kabel.

Zeekalf.. Zie Zeehonden.

Zeekat of Spookvisch (Chimaera mmstrosa). (Zie Chimaeridae).

Zeeklimaat. Zie Klimaat.

Zeekoe. Zie Lamanlijn.

Zeekoet Zie Alk.

Zeekomkommer. Zie Tripang.

Zeekool (Crambe L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Kruisbloemigen (Cruciferae). Het onderscheidt zich door een tweeledig hauwtje, waarvan het onderste lid steelvormig | en loos, het bovenste bolvormig en eenzadig is, terwijl de zaden langgesteeld zijn. De gewone zeekool ! (C. marilima L.), ook op onze strarden groeiende, is f een overblijvende plant met een dikken, knoestigen wortelstok en talrijke uitloopers, waaruit hier en daar stergels opstijgen. De bladeren ontwikkelen | zich vroeg in het voorjaar en zijn vleezig, min of

Sluiten