Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samengeperst en darg of derrie heet- Dit is in de oudere bedijkingen met veel zout doortrokken, en werd in vroegere eeuwen gestoken (d a r i n k d e 1v e n) en als brandstof gebruikt, terwijl uit de overblijvende asch zout werd gewonnen (selbernen = zoutbranden).

Groote bodemverheffingen kan men nergens verwachten. De hoogste deelen vormen de duinen ,die slechts op één plaats langs de kust ontbreken, waar men den Westkapelschen dijk (zie aldaar) heeft gebouwd. Buiten de duinen ligt de bodem laag, de oudste bedijkingen onder, de jongere iets boven A.P.

Wateren en w a t e r l o o z i n g. De Zeeuwsche wateren, overgebleven tusschen de aanslibbingen in de Scheldedelta en vooral door den invloed van den mensch veranderd, wat den vorm betreft, in breede riviermonden, zijn getijdewateren (zie aldaar) die weinig met een werkelijke rivier gemeen hebben. Zij liggen vol platen en banken, die bij eb droogloopen en vooral op de „verdronken landen", zooals van Saaftingen en van Zuid-Beveland, een groote oppervlakte beslaan. Tusschen deze ondiepten slingeren zich de geulen der vaarwaters. Het voornaamste dezer getijden wateren is de Hont of Wester Schelde, waarin de Schelde uitmondt; verder heeten zij (zie de kaart): Sloe, Veergat, Zandkreek of Zuidvliet, Krekerak, Eendracht, Ooster Schelde, Keeten, Mastgat, Zijpe, Mosselkreek, Slaak, Krammer en Grevelingen. Rivieren of meren bezit Zeeland niet. Daarentegen deed de afdamming van Krekerak en Sloe de behoefte ontstaan aan verbindingswegen tusschen Ooster en Wester Schelde, waartoe het Kanaal van Zuid-Beveland en het Kanaal van Walcheren werden gegraven. Reeds van vroeger tijd dagteekent het Kanaal van Terneuzen naar Gent, dat na de verbeteringen van den jongsten tijd groote zeeschepen in staat stelt Gent te bereiken. Minder beteekenis hebben de havenkanalen van Goes en Zierikzee naar de zee.

Wegens de lage ligging van den bodem (tusschen 1 m. + A. P. en 1V2 m. -4- A. P.) is de geheele provincie polderland, heeft dus kunstmatige waterloozing, uitgezonderd Zeeuwsch Vlaanderen, dat tot + 2,6 m. A. P. ligt en daardoor natuurlijke afwatering heeft. Evenwel wateren ook hierhetgrootste deel der polders niet rechtstreeks op zee af, maar op eenige boezems, daar de bodem naar het N. toe, in verband met de wording van het land, oprijst. Het overige deel der provincie kan tengevolge van het aanzienlijk verschil tusschen eb en vloed, voor het grootste deel op natuurlijke wijze het polderwater loozen door het openen van sluizen in de dijken, zoodat hier geen kostbare bemaling, zooals elders in het Nederlandsche polderland, noodig is. Een nadeel van de sterke werking der getijden op de Zeeuwsche wateren is daarentegen het voorkomen van dijkvallen (zie aldaar en Oeververdediging). Dit maakt de kosten van onderhoud der dijken, wier gezamenlijke lengte in Zeeland wel 100 uren gaans bedraagt, nog hooger, en daar vele polders niet in staat zijn die kosten te dragen, moeten de Provincie en het Rijk te hulp komen. Zulke polders noemt men calamiteus\ zij vereischen jaarlijks van Rijk en Provincie een onderstand van meer dan 6 millioen gld.

Bevolking. Blijkens de schedels, o. a. bij het vroegere Reimerswaal gevonden, behoorden de oudste bewoners van het tegenwoordige Zeeland tot een vóór-Germaansche bevolking. Later vestigden zich

hier Germaansche stammen, en wel evenals elders langs onze kust, Friezen. Nog later schijnt een geheel andere volksstam met donker hoofdhaar Zeelandbinnengetrokken te zijn, waarschijnlijk uit Brabant of het land der Walen afkomstig. In den tijd van den Tachtigjarigen Oorlog had eveneens een vermenging met vreemde elementen plaats, en zoo vormden dan ook donker haar en donkere oogen geen zeldzaamheid te midden van de overigens blondharige en blauwoogige bevolking, vooral op Walcheren en Zuid Beveland. Overigens heeft het Frankische element er tegenwoordig geheel de overhand, hoewel op Schouwen en Duiveland nog sporen van de Friesche eigenaardigheden vallen op te merken. In Zeeuwsch Vlaanderen wonen vele Belgen.

De bevolkingsdichtheid is, in vergelijking met vele andere provincies van ons land, niet groot, bedraagt slechts 120 per v. km. De toeneming der bevolking in de laatste eeuw kan uit het volgend overzicht blijken:

1829 137 262

1860 166 508

1890 199 234

1900 216 295

1910 232 515

Van het totaalcijfer in 1910 waren 115 457 mannen en 117 058 vrouwen. Het aantal geboorten in 1909 bedroeg 6634, dat der sterfgevallen 3204, zoodat er 3409 meer geboren werden dan overleden. Daarentegen onderging de provincie een verlies van 1888 personen doordat het aantal personen, die vertrokken, grooter was dan die er zich vestigden. Bepaalde centra van bevolking vindt men, afgezien van een paar grootere plaatsen niet. Wel treft men eilandvormige plekken aan met een dichtere beoolking (200—400 per 100 H. A.), haar ligging is echter aan geen regelmaat gebonden, zoodat de natuurlijke factoren van die grootere dichtheid niet in het oog vallen. Een samenstrooming in één centrum was niet mogelijk door de versnippering van het land in eilanden. Elk van deze heeft zijn eigen centraalpunt als marktplaats, zoo is Zierikzee de marktplaats voor Schouwen en Duiveland, Tolen voor Tolen, Goes voor Zuid Beveland en Middelburg voor Walcheren.

Naar den godsdienst onderscheidde men bij de voorlaatste volkstelling:

Nederduitsch Hervormden 127 147

Christelijk Gereformeerden 5 805

Gereformeerde Kerken 21 284

Roomsch Katholieken 54 456

Israëlieten 426

benevens een gering aantal lidmaten van andere kerkgenootschappen.

Voortbrengselen en middelen van bestaan. De bodem, die bijna geheel uit klei bestaat, is daardoor zeer vruchtbaar en dit, in verband met de betrekkelijk hooge ligging, maakt dat landbouw het hoofdmiddel van bestaan vormt; alleen de lage, oude kernen der eilanden zijn grasland, dus voor veeteelt in gebruik. In 1909 besloeg (in H. A.) de oppervlakte van het

Bouwland 110 862

Blijvend grasland 33 748

Tuingrond 3 619

Bosch 1377

Woeste grond 2 850

Sluiten