Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, hoewel de bevolking meer aan liet Huis Oranje geliecht was. In Vlissingen begon in 1572, na de inne- i ming van den Briel, het openlijk verzet tegen Philips en vóór Oranje, in Veere begon in 1672 de beweging voor de verheffing van WiUem 111 tot stadhouder. In 1796 werd het door de Franschen bezet, maakte deel uit van de Bataafsclie Republiek en het Koninkrijk Holland en had veel te lijden van den inval der Engelsohen in 1809, waarna het bij hetFransche keizerrijk werd ingelijfd. Na de aftocht der Franschen werd het in 1814 een provincie van het koninkrijk der Vereenigde Nederlanden en vervolgens van het tegenwoordige koninkrijk. De grenzen tegen Zuid-Holland werden geregeld in 1869, tegen Noord-Brabant in 1872. In 1906 werd de provincie zwaar geteisterd door een overstrooming, terwijl ook de storm van 30 Sept. 1911 veel schade aanrichtte.

Zeeland, een gemeente in de provincie NoordBrabant, 3132 H. A. groot met (1910) 2056 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Reek, Escharen, Mil c. a., Uden en Schaaik. De bodem bestaat uit diluviaal zand en een weinig hoogveen. Landbouw ls het hoofdmiddel van bestaan. Tot de gemeente behoort het dorp Zeeland en een aantal buurten. Met Uden kwam zij aan de heerlijkheid Herpen of Ravenstein.

Het dorp Zeeland, vroeger Selant en Op-Zeeland genoemd, bezit een Roomsch-Katholieke kerk, die in 1376 als kapel werd gesticht, met een zwaren toren. Vroeger was er een kasteel.

Zeeleeuw (Otaria Stelleri ; zie de plaat Zeezoogdieren bij het art. Zeehonden) is de naam van een zoogdier, dat tot de familie van de oorrobben en tot de klasse van de robben behoort en dus verwant is met den zeebeer (zie aldaar). Evenals bij deze dieren, worden de mannetjes van de zeeleeuwen ongeveer 2 maal zoo groot en 3 a 4 maal zoo zwaar als de wijfjes. De mannetjes krijgen een lengte van 4 m., een omvang van i 3 m. en soms een gewicht van nagenoeg 500 kg. De zeeleeuwen bezitten een langwerpigen kop, een langen hals, kleine, doch goed ontwikkelde oorschelpen, groote, vinvormige ledematen, die tamelijk ver uit het lichaam te voorschijn komen, kale zolen en achterteenen die nagenoeg even lang zijn, terwijl de voorteenen van binnen naar buiten in lengte afnemen. Zij bewonen voornamelijk de Aziatische en Amerikaansche kusten van den Grooten Oceaan en komen ook in dichtbevolkte streken en in riviermondingen en baaien voor. Sommige maken uitgestrekte tochten, andere blijven op dezelfde plaats. Deze dieren zijn zeer verschillend van kleur; op dezelfde rots treft men soms zwarte, gesprenkelde, roodachtig bruine, donkergrijze en lichtgrijze exemplaren aan. De huid is met korte, aanliggende haren bezet, alleen bij &enmanendragendenzeeleeuw(otariajulata) die in sommige opzichten eenigszins van de otaria stelleri afwijkt, is het nekhaar verlengd. De zeeleeuwen worden vooral om hun huid en hun spek ij verig gejaagd; in den laatsten tijd tracht men dit tegen te gaan. Zoo is het verboden een troep zeeleeuwen, die in de nabijheid van San Francisco een rots bewonen, te dooden of lastig te vallen. Deze dieren verdragen de gevangenschap zeer goed en kunnen zeer tam worden.

Zeeleliën. Zie Encrinieten.

Zeelooper. Zie Duinen.

Zeelt of Louw (Tinca tulgaris). Zie Karpervisschen (Cyprinidae).

Zeemacht. Zie Insülmde, Marine, Nederland en Oorlogsschip.

Zeeman. Zie Nootns.

Zeeman, Henri, een Nederlandschjetterkundige, geboren te Amsterdam den 9aen November 1811, was eerst hulponderwijzer en stond vervolgens gedurende 40 jaar aan het hoofd van een kostschool in zijn geboorteplaats.Daarna vestigde hij zich te Haarlem. Van zijn geschriften vermelden wij: „Het leven van Joost van den Vondel voor Neerlands jongelingschap"(1831), „Het leven en de krijgsbedrijven der Prinsen van Oranje"(3 dln., 1831—1833), „Het leven, de daden en lotgevallen van Jan Camphuis" (1833), „Zedelijke verhalen voor jonge lieden"(1834), „De gunsteling of drie dagen uit de regeering van Maria, koningin van Engeland"(1835), „Lucretia Borgia of wreedheid en moederliefde"(1836), „La Tisba of de schoone Venetiaansche tooneelspeelster" (1835), „De Engel van St. Jan"(1837), „De Grootvorstin Christina"(1841), „Het leven, de krijgsbedrijven en de noodlottige dood van Z. K. H. Ferdinand Philippus Lodewijk Karel^Hendrik Josephus van Orleans"(1842), „Elizabetli de Nanteuil of de gevolgen van een oogenblik"(1843), „Het leven, de krijgsbedrijven en de regeering van Z. M. Willem I" (1844), „Leven, krijgsbedrijven en regeering van Z. M. Willem II"(1849), „De eerste dronk"(1850), „Lodewijk Philips, koning der Franschen"(1851), „Verhalen voor jonge lieden"(1853), „De verkeerde wereld naar een voorstelling van Tetje Roen"(1859), „Geschied- en aardrijkskundige beschrijving van het Koninkrijk Sardiniën" (1859), ,,'s Gravenhage en Amsterdam. Roemrijke herinneringen aandegedenkwaardige dagen van 12—30 Nov. 1813"(1863), „Wat hebben Neerlands Koningen vijtig jaren voor Nederland gedaan"(1863), „Leopold I, Koning der Belgen"(1864), „Wat er te Amsterdam voor vijftig jaar voorviel"(1864), „Nederlandsche volksverhalen op het gebied der afschaffing van sterken drank"(1865), „Drank- en drinkwinkels in Nederland"(1865),„Historische schetsen uit zijn maqonnieke portefeuille" (1880, 2de dr.), „Blikken in de dierenwereld"(1883), alsmede brochures, bijdragen in tijdschriten en almanakken enz. Hij overleed in 1889.

Zeeman. Johannes, een Nederlandsch geneeskundige, geboren te Numansdorp in 1824, studeerde te Leiden en promoveerde aldaar in 1847 in de geneeskunde op een: „Dissertatio exhibens brevem historiam morborum in clinico viri clarissimi C. Pruys van der Hoeven observatorum". Hij begaf zich vervolgens naar Amsterdam en werd er assistent-arts van het Buitengasthuis, waarna hij zich daar ter stede vestigde als practisch arts. Van 1862— 1867 was hij algemeen secretaris van de Nederlandsche Maarschappij tot bevordering der Geneeskunst. Ook werd hij hoofdredacteur van het „Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde" en mederedacteur van het „Nederlandsch Weekblad voor Geneeskundigen", Verder nam hij deel aan de samenstelling van het verslag van het internationaal medisch congres in 1879 en leverde onderscheiden belangrijke bijdragen voor de geneeskundige statistiek. Van zijn geschriften vermelden wij; „De werkzaamheden van het algemeen Hygiënisch Congres te Brussel'' (1852), „Geschiedenis van de cholera gedurende 1850 in Nederland"(1860), „Rapport van de commissie voor statistiek en over de lotelingen uit de provincie Groningen 1836—1861"(1862), „Het

Sluiten