Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een winterslaap. Hun voedsel bestaat uit kruiden, wortels, bessen enz., soms eten zij echter ook muizen en vogels, die op den grond nestelen. Het wijfje werpt in April of Mei 3—8 jongen. De zeesels worden om hun pels, die voor voering wordt gebruikt, en om hun vleesch vervolgd. Zij verdragen de gevangenschap zeer goed.

Zeeslag- is een strijd tusschen oorlogsschepen of oorlogsvloten. Het eigenaardige van een zeegevecht is, dat zoowel de aanvaller, als de verdediger om taktische redenen tot den aanval is gedwongen. De uitslag van den strijd is afhankelijk van de geschiktheid van den aanvoerder en de manschappen, de sterkte van de linieschepen en hun bewapening, de strategische voorbereidingen door de verkenning van de kruisers, de aanwezigheid van een voldoenden voorraad steenkool, ammunitie enz. In den regel streeft men er naar de kracht van den vijand te verdeelen, of wel de vereeniging van de vijandelijke strijdkrachten te verhinderen, om daardoor op het beslissende moment den vijand in kracht te overtreffen. Daar de artillerie het voornaamste wapen in den zeeoorlog is, tracht men meestal zoo te manoeuvreeren, dat een zoo groot mogelijk aantal linieschepen en pantserkruisers een gedeelte van de vijandelijke vloot te gelijkertijd kunnen beschieten. Of de positie bij het begin van het gevecht gunstig is, hangt af van den uitslag van den verkenningsdienst door de kruisers en van de snelheid en doelmatigheid van de taktische manoeuvres. De linieschepen vechten meest in één lijn, daarnaast dienen de snellere gepantserde kruisers om rondom de vijandelijke linie heen te varen en haar van den anderen kant te beschieten. De torpedobooten vallen overdag alleen aan om den tegenstander den genadeslag toe te brengen. Hun voornaamste taak is den vijand vóór en na den slag door nachtelijke aanvallen te verontrusten. De lichte verkenningskruisers nemen in den slag deel aan het afweren van de aanvallen van de torpedobooten en dekken 's nachts de flanken van de lijn der linieschepen. De afstand van de linieschepen bedraagt meestal 2 000 ■—3 000 m.

Zeeslakken (Aphroditidae) is de naam van een dierengeslacht uit de klasse der Ringwormen (Annulata) en de orde der Borstelwormen (Chateopoda). De rug der zeeslakken is met breede schubben bedekt en de kop van 3 sprieten en 2—4 kleine oogen voorzien. Voorts hebben zij een rolronden snuit, die ingestulpt kan worden, met twee bovenen twee onderkaken. Onderscheiden geslachten bezitten een kleed van lange, schitterend gekleurde haren. Aphrodita hystrix Edw. is weinig of in het geheel niet behaard, maar heeft gesteelde oogen en met weerhaken gewapende borstels aan de voeten, — en Aphrodita aculeata of de fluweelen zeeslak heeft aan beide zijden van het lichaam glinsterende groene en roode haren, en de rug van dit dier is bedekt met een vilten bekleedsel van saamgeweven haren, waaronder men aan weerszijden 15 ronde plaatjes vindt. Beide soorten bewonen de Noordzee en de Middellandsche Zee.

Zeeslang is de naam van een reusachtig zeemonster, dat volgens verschillende berichten hier en daar op zee gezien zou zijn. Het eerst werd van zulk een monster melding gemaakt in 155B door Olaus Magnus, vervolgens door Nicolaas Gramius (1656). Volgens de berichten zou het dier een lengte

van ongeveer 30 m. hebben en op een slang gelijken; de lange smalle kop zou door manen omgeven zijn en roode oogen bezitten. Ook in de 19de eeuw hebben nog verschillende waarnemers beweerd zulk een dier te hebben gezien. Zijn bestaan is echter nog geenszins bewezen. Volgens sommigen hebben dolfijnen, haaien of andere zeedieren, die in een rij zwommen, of ook groote zeewieren, aanleiding gegeven tot het geloof aan het ontstaan van zulk een zeemonster. Daarentegen vermoeden anderen, dat er werkelijk zulk een dier bestaat, bijv. Oudemans in zijn „The great sea-serpent" (1892).

Zeeslangen (Hydrophidae) is de naam van een familie giftslangen, die gekenmerkt zijn door een zijdelings samengedrukt lichaam, waarvan de buikvlakte van achteren kielvormig toegespitst is, een hoogen, samengedrukten staart, een betrekkelijk kleinen kop, kleine gifttanden, achter welke nog kleinere zwak gegroefde tanden zich bevinden, en stevige vangtanden in de onderkaak. Alle zeeslangen, waarvan er ongeveer 50 soorten voorkomen, leven in den Indischen Oceaan en den Grooten Oceaan, van Kaap de Goede Hoop en de kusten van Madagaskar tot aan de landengte van Panama en van Nieuw-Zeeland tot Japan, vooral in die gedeelten van den Oceaan, die tusschen de kust van ZuidChina en die van Noord-Australië gelegen zijn. Zij leven niet ver van de kust, meestal in groote troepen, zwemmen zeer snel, zijn zeer bewegelijk, opvliegend en kwaadaardig, zij voeden zich met visschen en schaaldieren. Hun beet is zeer gevaarlijk. Van deze dieren noemen wij de geringde platstaart (plalurus lati caudatus), die ongeveer 1 m.langwordt, van boven min of meer helder blauwachtig of groenachtig zwart, van onderen geelachtig is, 25 a 30 zwyarte ringen om het lijf en zwarte vlekken op den kop en den nek heeft, de tweekleurige zeeslang of plaatjesslang (hudrus bicolor), die van boven donker bruinzwart, van onderen geelbruin of geel is, vlekken of banden op den staart heeft en 85 cm. lang wordt, en de gestreepte roeistaartslang (distira cyanocincta), een slang van 1,75 m. lengte, die van boven olijfgroen, van onderen groenachtig geel is en met 50—75 dwarsbanden is geteekend.

Zeespinnen (Pantopoda, Pycnogonidia) is de naam van een orde van de spinachtige dieren, die men als een overgang tot de schaaldieren kan beschouwen. Zij leven aan de zeekust onder steenen tusschen zeeplanten en ook wel vastgehecht aan andere dieren, bezitten een klein vierledig kopborststuk met 4 oogen aan den voorrand en een zuigsnuit met schaarvormige kaaksprieten. Het achterlijf is zeer klein. De kaaksprieten ontbreken soms, evenals het eerste paar kaaktasters. Het tweede paar kaaktasters bestaat, evenals de 3 paar overige ledematen uit 7 a 9 leden en een stevigen klauw. De jonge dieren hebben bij de geboorte meestal een ongeleed lichaam met 2 paar pooten; eerst na verscheiden vervellingen krijgen zij de gedaante van de oude dieren. In de Europeesche zeeen, vooral in de Noordzee, komt de oeverzeespin (pycnogonum littorale) voor, die een lengte bereikt van 13 mm. Haar lichaam is roestgeel of bleekgeel en heeft een doffe, korrelige oppervlakte.

Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia). Zie Stekelbaarzen (Gastrosteidae).

Zeesterren (Asteroidea; zie de plant Lagere zeedieren bij het art.Ze«me»joon)isder.aam van een

Sluiten