Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klasse van dieren uit den stam der Stekélhuidiqen (Eehinodennata). Het lichaam van deze dieren is ongesteeld, plat, veelhoekig of door het bezit van straalsgewijs geplaatste armen stervormig en met een lederachtige huid bedekt. De mondopening is in het midden van liet lichaam aan de buikzijde geplaatst, en de anus daar tegenover aan de rugzijde. De armen hebben aan de onderzijde een tot het einde doorloopende groeve, waarin zich in 2 of 4 rijen de voetjes bevinden. Men onderscheidt de zeesterren in slangsterren, (Ophiurida), wier armen met een geleding aan de schijf verbonden zijn, en eigenlijke zeesterren (Asterida), bij welke de schijf zonder geleding in de armen overgaat. Doorgaans hebben zij 5, doch ook wel eens 4 of 6, ook wel 8, 21 en 30 stralen. Onze gewone zeester (Asterias rubens L.) heeft 5 armen, welke omstreeks 4-maal de lengte hebben van de middellijn der schijf, drie rijen stekeltjes langs de groeven en een aantal kegelvormige stekeltjes op den rug. Zij is vaalrood van kleur. De zeesterren kruipen langs den bodem der zee en voeden zich met schelpdieren.

Zeestraat (Zeeëngte) is de naam van een smal gedeelte der zee, dat twee grootere zeeën verbindt. Zeestraten, welke een binnenzee met de open zee verbinden, zijn territoriale wateren, d. i. zij staan onder het souverein gezag van den naburigen staat (of staten) wanneer de oeverstaat (of de oeverst-aten) haar van den oever af geheel bestrijken. Zij mogen slechts geblokkeerd worden, wanneer zij toegang geven tot een binnenzee, die geheel aan den vijandelijken of den blokkeerenden staat behoort en indien deze ook de opperhoogheid over beide oevers bezit. De oeverstaten kunnen zonder schending van het volkenrecht de doorvaart verbieden. De ongemoeide doorvaart (passage innocent) kan echter aan handelsschepen van andere dan de oorlogvoerende staten niet worden ontzegd. Yoor zeestraten, welke gedeelten van de open zee, met name van binnenzeeën, verbinden, waarover geen bepaalde staat de souvereiniteit uitoefent, hebben handels- en oorlogsschepen in vredes-, noch oorlogstijd toestemming noodig. De oeverstaten kunnen zich echter onder zekere omstandigheden, ter wille van eigen veiligheid, tegen de doorvaart van oorlogs- en troepentransportschepen verzetten. Vergoeding voor het onderhoud van het vaarwater en van de scheepvaartteekens mag niet worden geeischt. Door afzonderlijke overeenkomsten kan dit algemeene doorvaartrecht beperkt worden. Dit geschiedde o. a. ten aanzien van den Bosporus en de Straat der Dardanellen. Sommige zeestraten zijn door verdragen neutraal verklaard, bijv. de Straat van Magelhaens. Op haar oevers mogen geen versterkingen aangelegd worden.

Zeestroomen (zie de kaart) zijn regelmatige, voortgaande bewegingen van het zeewater in horizontale richting. De hoofdoorzaak daarvan is, althans in de open oceanen, de wind, zooals door Z&ppritz afdoende werd aangetoond, terwijl daarnaast ook andere factoren een, wel is waar slechts ondergeschikte rol spelen, zooals verschil in temperatuur, in dichtheid, in zoutgehalte, de verdamping, de toevoer van rivierwater, de aswenteling der aarde enz. Naar hun ligging aan de oppervlakte of in de diepte onderscheidt men boven- en benedenstroomen, naar hun temperatuur koude en warme stroomen, al naar gelang de temperatuur van het

zeewater gemiddeld hooger of lager is dan de jaartemperatuur van de plaats, waar men den zeestroom waarneemt, naar hun richting aequatoriale en polaire stroomen, al naar gelang zij van den evenaar of de poolstreken afkomstig zijn. Overigens worden de stroomen steeds genoemd (anders dan de winden) naar de richting, waarheen zij zich bewegen.

In rand-, middel- en binnenzeeën kunnen de bovengenoemde secundaire invloeden een groote rol spelen. Zoo doen de getijden (zie aldaar) getijdenstroomen ontstaan aan vele kusten, bijv. rondom Groot-Brittannië, in de St. Laurensgolf, de Hudsonstraat, de Austraal-Aziatische Middelzee en de Carpentariagolf, terwijl zij in enge zeestraten vaak tot wervelstroomen aanleiding geven, zooals de Maelstroom ten Z. der Lofoten en de Scylla en Charibdis in de Straat van Messina. Verschil in niveau doet bij binnenzeeën met veel toevoer van zoet water, zooals in de Zwarte Zee, somtijds nog versterkt door geringe verdamping, zooals in de Oostzee, een bovenstroom naar buiten (in Bosporus, Sont, Groote en Kleine Belt) ontstaan; bij geringe toevoer van zoet water en sterke verdamping, zooals in Middellandsche Zee en Roode Zee, gaat de bovenstroom naar binnen (in de Straat van Gibraltar en de Straat van Bab el Mandeb). Op dezelfde plaatsen geeft het verschil in zoutgehalte aanleiding tot het optreden van een benedenstroom, die het verbroken evenwicht herstelt: in Bosporus, Sont en de Belten naar binnen, in de Straat van Gibraltar en die van Bab el Mandeb naar buiten.

In de open oceanen spelen daarentegen de heerschende winden de hoofdrol. Zij brengen aanvankelijk het water in een golvende beweging, die, als de wind lang uit denzelfden hoek waait, in een stroo mende overgaat. In alle oceanen valt een aequatoriale strooming in O.-W. richting waar te nemen, die, waar zij op de kusten stuit, zich in N. en Z. richting voortzet. De bestendig naar den evenaar gerichte en daarbij naar het W. afwijkende passaten drijven de in golvende beweging gebrachte bovenste laag van het water in westelijke richting voort, en door den moleculairen samenhang deelt zich deze beweging aan de volgende laag mede enz. Dit geschiedt wel is waar zeer langzaam, zoodat volgens Zöppritz eerst na 200 000 jaren de snelheid regelmatig, naar gelang van de diepte, tot op den bodem van den eocaan zal afnemen; maar even langzaam vermindert ook de beweging, die eenmaal opgewekt is. Tijdelijke verandering van windrichting zal dientengevolge alleen op de bovenste waterlaag invloed uitoefenen, en de diepere lagen zullen alleen de richting der heerschende winden volgen, terwijl de snelheid bepaald wordt door de gemiddelde snelheid aan de oppervlakte. Hieruit volgt dus, dat de tegenwoordige zeestroomen in de oceanen het produkt zijn van alle winden, die er sedert duizenden jaren over heen zijn gestreken. Heeft eenmaal het water onder invloed van den wind een regelmatige beweging aangenomen, dan zet deze zich ook voort buiten het bereik van den luchtstroom. Daarom wordt wel, zooals door Krümmel, een verschil gemaakt tusschen vrije en gedwongen stroomen. Beide roepen ze weer zoogenaamde compensatiestroomen te voorschijn, die het weggestroomde water moeten vervangen, om het niveau op dezelfde hoogte te doen blijven. Waar een zeestroom op een kust stuit, splitst hij zich, den loop der kust volgend, en waar

Sluiten