Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nenlandsche Zaken in Beieren, geboren den 3den Augustus 1785 in het stadje Wertingen in OpperZwaben aan den Donau, was een zoon van Itahaansche ouders, studeerde aanvankelijk aan het bisschoppelijk lyceum te Dillingen en vervolgens aan de hoogeschool te Landshut, waar in die dagen mannen als Sailer, Savigny, Feuerbach enz. als docenten werkzaam waren. De uitgebreide toerustingen van Oostenrijk in 1808 gedurende den inval der Franschen in Spanje, alsmede de algemeene gisting in Duitschland, brachten ook Zenetti in de gelederen ter bescherming van het bedreigde vaderland. Hij lag in garnizoen te Eichstadt en te Ulm om tegen eiken opstand in Tirol en Vorarlberg te waken. In 1810 werd hij geplaatst bij de nationale garde en benoemd tot ordonnansofficier in dienst van keizerin Maria Louise. Ulm werd volgens het verdrag van Parijs (1810) aan Württemberg afgestaan, waarna Zenetti een aanstelling ontving als commissaris van politie op den rechter oever van den Donau. Hier handhaafde hij de rechten van Beieren, maar haalde zich daardoor het ongenoegen op den hals van de regeering te Stuttgart, zoodat hem het betreden van het Württembergsch gebied verboden werd. Ook van Beiersche zijde werd nu een dergelijk verbod uitgevaardigd, en deze verwikkeling eindigde met een verplaatsing van Zenetti naar Eichstadt in den zomer van 1811. Bij het uitbarsten van den bevrijdingsoorlog in 1813 diende hij als kapitein, doch na Napoleons vertrek naar Elba keerde hij in September 1814 als burgerlijk ambtenaar terug naar München en in 1816 werd hij regeeringsraad te Spiers. Als zoodanig ijverde hij voor de verbetering der gevangenissen en werd in 1826 in bovengenoemde betrekking naar Augsburg en in 1827 naar München verplaatst. In Februari 1832 werd hij „Ministerialrath" bij het departement van Binnenlandsche Zaken onder vorst Ludwig Wallerstein en in 1832 vergezelde hij den veldmaarschalk vorst Wrede, op diens verlangen, als civiel-commissaris naar de Rijnprovincie. Tegen het einde van dat jaar werd hij gouverneur van den Beneden-Donaukreiz te Passau, in 1837 als „Ministerialrath" bij Binnenlandsche Zaken naar München teruggeroepen en in 1846 tot regeeringspresident in Neder-Beieren te Landshut benoemd. In het daarop volgende jaar werd hij minister van Binnenlandsche Zaken, doch niet lang daarna werd hij op zijn verzoek uit die betrekking ontslagen, waarop hij naar zijn post als regeeringspresident terugkeerde en bij voortduring zijn krachten wijdde aan de belangen van zijn vaderland.

Zenger, Max, een Duitsch componist, geboren den 2den Februari 1837 te München, studeerde aldaar aan de universiteit in de wijsbegeerte, doch wijdde zich weldra uitsluitend aan de muziek. Hij werd in 1869 muziekdirecteur aan de hofopera te München, in 1872 hofkapelmeester te Karlsruhe, was van 1878—1885 dirigent van de oratoriavereeniging en leeraar aan de koninklijke academie van toonkunst. Van zijn compositiën noemen wij het oratorium „Kaïn" (naar Byron), de opera's: „Die Foscari", „Ruy Bias (1868), „Wieland der Schmied" (1882), „Eros und Psyche" (1901) en de muziek bij Goethes „Faust" (eerste deel 1887, tweede deel 1895). Verder componeerde hij een aantal liederen, 3 balletten, een tragische ouverture, een Tedeum, een Stabat Mater enz.

Zeng-g-, Senj of Segnia, een koninklijke vrijstad en havenplaats in het Kroatisch-Slavonisch comitaat Lika-Krbava, ligt aan het Morlakenkanaa] naar de Adriatische Zee, is de zetel van een R. Katholieken bisschop en van een bisschoppelijk consistorie, heeft een fraaie hoofdkerk, eene theologische school, een bisschoppelijk seminarium en een gymnasium. De plaats bezit veel scheepsbouw, een kleine vrijhaven, een levendigen handel met voortbrengselen van Hongarije naar Italië en de Levant en (1901) 3 182 inwoners. Zengg is een zeer oude stad, die in de Oudheid Senia heette en naar men wil door Senonische Galliërs is gesticht. Zij werd in 452 door Attila veroverd, in de 13de eeuw door de Mongolen verwoest, later weer opgebouwd en in 1483 door koning Matthias Corvinus tot eene koninklijke vrijstad verheven.

Zeng-i of Sanguis, Ismad ed-Din, prins van Mosoel en Aleppo, werd geboren in 1084 en was een zoon van Akseekar, emir van Aleppo. Hij was tien jaar oud, toen zijn vader, door den koning van Damascus overwonnen, het leven verloor, waarna hij onder leiding kwam van emir Korboega. Zengi onderscheidde zich in den strijd tegen de Franken, werd in 1122 gouverneur van Waseth, daarna van Bassora, eindelijk van Bagdad, en in 1127 stadhouder van Mosoel. Toen deed hij een inval in Syrië en onderwierp de beheerschers van Edessa en Antiochië, doch haalde zich den haat van sommige Mohammedaansche vorsten op den hals, zoodat dezen met 20 000 man tegen Mosoel optrokken. Hij overwon hen echter bij Dara. In 1130 deed hij wederom een inval in Syrië, versloeg vorst Bohemund van Antiochië, nam Alhareb stormenderhand in en zou zelfs de stad Antiochië veroverd hebben, wanneer Boudemjn II van Jeruzalem haar niet te hulp gekomen was. In 1136 bestreed hij op nieuw de Franken in Syrië, in 1137 den koning van Damascus en den Griekschen keizer Johannes Comnenus, belegerde in 1140 nogmaals Damascus, dat hij vruchteloos door list en geweld zocht te bemachtigen, maar veroverde daarentegen in 1144 Edessa. Zijn souverein, Alp-Arslan, hield hij, ofschoon den schijn aannemende van volkomen onderwerping, eenigermate gevangen en voerde onder den titel van protector (Atabek) een onbeperkte heerschappij. Hij werd echter in 1145 bij de belegering van Djabar door eenige Mamelukken verraderlijk vermoord, waarna zijn zonen zijn bezittingen verdeelden.

Zenica. een plaats in het Bosnische distrikt Travnik, gelegen op den linker oever van de Bosna, waarover hier door prins Eugenius een brug is geslagen, en aan den Bosnaspoorweg, bezit een Franciscanerklooster, verschillende moskeeën, een strafgevangenis en een papierfabriek en telt 4 398 inwoners, waarvan meer dan de helft Mohammedanen zijn. In de nabijheid ligt een rijke bruinkoolmijn. Vroeger was de plaats beroemd om haar tapijtweverij.

Zenith, een Arabisch woord, dat schedelpunt beteekent, is het punt aan den hemel, dat zich loodrecht boven het hoofd van den waarnemer bevindt. Wij geven daaraan den naam van toppunt. Het daar tegenovergelegen punt van den hemelbol draagt den naam van nadir of voetpunt. Elk punt van de oppervlakte der aarde heeft dus zijn eigen zenith en nadir. De zenithdistantie van een ster is de boog van den verticaalcirkel tusschen de ster en

Sluiten