Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn uitgegeven onder den titel „Volledige werken van Eugeen Zetternam, met levensschets van den schrijver" door F. Jos. van den Branden" (1876).

Zetterstedt. Johann Wilhelm, een Zweedsch natuurkundige, geboren op een landgoed in Ostergötland den 20sten Mei 1785, bezocht het gymnasium te Linköping en in 1805 de hoogeschool te Lund, waar hij in 1810 docent in de plantkunde, in 1812 adjunct voor de natuurlijke historie en in 1839 hoogleeraar in de plant- en de staathuishoudkunde werd. Hij bereisde voornamelijk Lapland. Van zijn geschriften noemen wij: „De plantis cibariis Romanorum" (1808), „Dissertatio de foecundatione plantarum" (dl. 1—3, 1810—1812), „Orthoptera Sueciae" (dl. 1, 1821), „Monographia scatophagarum Scandinaviae" (1835), „Insecta lapponica" (afl. 1—6, 1838—1840) en „Diptera Scandinaviae" (dl. 1—14, 1842—1860). Hij overleed den 238ten December 1874.

Zetterwall, Helgo Nikolaus, een Zweedsch architect, geboren den 21s,en November 1831 te Lidköping, ontving van 1853 af zijn opleiding onder Scholander aan de Academie van Schoone Kunsten te Stockholm. In 1860 werd hij benoemd tot architect van den Dom te Lund, die volgens zijn plan en onder zijn bestuur werd gerestaureerd. Van de overige door hem ontworpen gebouwen noemen wij het stadhuis te Malmö, het schoolgebouw te Skara, het kasteel Hackeberga, het paleis Bolinder te Stokholm, de restauratie van den Dom te Linköping en plannen voor dergelijke werken te Strengnas en te Upsala, alsmede voor een nieuw Parlementsgebouw te Stokholm. In 1871 werd hij lid van bovengenoemde Academie en in 1882 zag hij zich aangesteld tot opper-intendant.

Zetting-, Zie Brug.

Zetzsche, Karl Eduard, een Duitsch wis- en natuurkundige, geboren te Altenburg den li4*" Maart 1830, studeerde van 1851 tot 1857 aan de polytechnische school te Dresden, aan de universiteit en aan de politechnische school te Weenen, trad in 1856 als ambtenaar bij de telegrafie in Oostenrijkschen dienst, werd in 18581eeraar aan de school voor nijverheid te Chemnitz, in 1867 hoogleeraar in de telegrafie aan het polytechnicum te Dresden en in 1880 ingenieur van de telegrafie aan het rijkspostkantoor te Berlijn, waar hij ook als leeraar aan de school voor post en telegrafie werkzaam was. In 1887 nam hij zijn ontslag. Hij overleed te Dresden den 184en April 1894. Van zijn werken noemen wij: „Elemente der ebenen Trigonometrie" (1861), „Leitfaden für den Unterricht in der ebenen und raumlichen Geometrie" (24e druk, 1874), „Katechismus der ebenen und raumlichen Geometrie" (44e druk, 1905), „Die Kopiertelegraphen, Typendrucktelegraphen und die Doppeltelegraphie" (1865), „Die elektrischen Telegraphen in ihrer gegenwartigen Einrichtung und Bedeutung" (1869), „Katechismus der elektrischen Telegraphie" (74e druk van Schmidt 1906), Abrisz der Geschichte der elektrischen Telegraphie" (1874),1 „Die Entwickelung der automatischen Telegraphie" (1875) en „Handbuch der elektrischen Telegraphie" (met O. Frölich, O. Henneberg en L. Kohlfiirst. 4 dln., 1877— 1895). Van 1880—1886 was hij redacteur van het „Elektro-technische Zeitschrift."

Zeug-lodon, Owen of Juktand is de naam van een uitgestorven geslacht van walvischachtige die¬

ren en vormt een afzonderlijke afdeeling (zeuglodontia) van deze dieren. Het omvat reusachtige dieren met een gestrekten kop, die bijna onmerkbaar in den romp overgaat en een langen, smallen snuit. Z. macrospondylus Muil. werd in 1845 door A. Koch ontdekt in de eocene lagen van Alabama in NoordAmerika. Aanvankelijk echter werd zijn geraamte gehouden voor dat van een reusachtige hagedis, waaraan Harlan den naam gaf van Basiiosaurus en Koch dien van Hydrarchos. Ook in de eocene lagen van Europa, Egypte en Nieuw-Zeeland is dit dier vertegenwoordigd.

Zeugma (Grieksch = verbinding) is een stijlfiguur, die daarin bestaat, dat een praedicaat, inzonderheid een werkwoord, betrekking heeft op twee zelfstandige naamwoorden, ofschoon het slechts bij één van beide past. Het weggelaten begrip wordt dan uit het zinverwante gezegde aangevuld, bijv: „De oogen des Heeren zien op de rechtvaardigen en zijn ooren (zijn opmerkzaam) op hun geroep".

Zeug-opterus. Zie Plalvisschen (Plueronectidae).

Zeulenroda, een stad in het vorstendom Reusz Oudere Lijn, ligt niet ver van de Weidarivier in een bergachtig, vruchtbaar, bevallig en boomrijk oord, dat een bergvlakte vormt. Zij is een station van den spoorweg van Werdau naar Mehltheuer, de zetel van een rechtbank en bezit een fraai stadhuis, een standbeeld van keizer Wilhelm 1, een hoogere burgerschool met een progymnasium, een museum, een aantal fabrieken en (1905) 9 776 inwoners. In 1438 kreeg de plaats stedelijke rechten, in 1500 kwam het aan Reusz.

Zeune, Johann Karl, een Duitsch letterkundige, geboren den 26sten October 1736 te Stolzenhayn bij Naumburg, studeerde te Leipzig, werd aldaar hoogleeraar in de wijsbegeerte en in 1776 te Wittenberg, waar hij den 88ten November 1788 overleed. Hij heeft onderscheiden goede uitgaven van oude klassieken met ophelderende en oordeelkundige noten geleverd.

Zeune, Johann August, een Duitsch aardrijkskundige, een zoon van den voorgaande, geboren den 124en Mei 1778 te Wittenberg, werd aldaar leeraar in de aardrijkskunde, later in het „Graue Kloster" te Berlijn en stichtte hier in 1806 een blindeninstituut. Nadat hij zijn: „Gea, Versuch einer wissenschaftlichen Erdbeschreibung" (1808, 34e druk, 1830) en een werk „Über Basaltpolaritat" (1809) in het licht gegeven had, werd hij in 1810 hoogleeraar in de aardrijkskunde aan de universiteit te Berlijn. In 1814 stichtte hij een genootschap voor deDuitsche taal, in 1828 was hij een van de oprichters van een genootschap voor aardkunde. Hij overleed den 144en November 1853. Van zijn overige geschriften vermelden wij: „Belisar, über den Unterricht der Blinden" (1808 en later), een vertaling van „Der Nibelungen Not und Klage" (1813; 24<> druk, 1836), een uitgave van dit gedicht en „Über Schadelbildung" (1846).

Zeuner, Gustav, een Duitsch natuurkundige, geboren den 308ten November 1828 te Chemnitz, studeerde van 1848—1851 te Freiberg in de mijnwetenschap, vertoefde geruimen tijd te Parijs, legde zich vervolgens te Chemnitz en te Freiberg toe op de mechanica en zag zich in 1855 benoemd tot hoogleeraar in de technische mechanica en theoretische machinekennis _aan de polytechnische school te

Sluiten