Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na zijn dood aan Ferdinand zouden ten deel vallen. Niettemin liet koningin Isabella, na den dood van Zapolya (1540), haar zoon Johan Sigismund tot koning uitroepen. Na zijn overlijden evenwel kozen de Standen in 1571 Stéphanus Bathori tot beheer scher. Toen deze in 1576 ook tot koning van Polen werd gekozen, stond hij de Kroon van Zevenburgen af aan zijn broeder Christofjel, die in 1581 overleed.' Zijn zoon Sigismund Bathori, stond het land in 1598 af aan keizer Rudolf en in 1599 aan zijn neef, den kardinaal en bisschop van Engeland, Andréas Bathori, die door Michaël, woiwode van Walachije, in 1599 verslagen werd en op de vlucht omkwam. Nu handhaafde Rudolf eenigen tijd het gezag, tot Stéphanus Bockskay zich in 1604 aan het hoofd plaatste der ontevredenen en door den sultan in het bezit van den troon bevestigd werd. Hij sloot met keizer Matthias den Vrede van Weenen (23 Juni 1606), waarbij aan de Protestanten van Hongarije vrijheid van godsdienst werd toegekend, terwijl hij als vorst van Zevenburgen ook het gezag verkreeg over Opper-Hongarije tot aan de Theisz. Na zijn dood (29 December 1606) kozen de Standen Sigismund Rakoczy tot zijn opvolger en, toen deze wegens ziekelijkheid in 1608 zijn waardigheid nederlegde, Gabriél Bathori, die door zijn verregaande dwingelandij de Saksers tot gewapend verzet noopte. Onder hen, die tot zijn verheffing hadden medegewerkt, behoorde ook Gabriël Bethlen, die zich evenwel wreldra bij de tegenstanders van den vorst voegde, van de Turken steun ontving en, nadat Bathori in 1614 door den ontevreden adel vermoord was, gekozen werd tot vorst. Hij handhaafde zijn gezag in het binnen- en buitenland en bevorderde kunsten en wetenschappen. Hij werd opgevolgd door Georg Rakoczy 1. Deze verbond zich met de Duitsche Protestantsche vorsten, Frankrijk en Zweden, tegen den keizer, die door den afstand van een aanzienlijk gebied den vrede verwierf. Hij werd in 1648 opgevolgd door zijn zoon Georg Rakoczy II, die later een bondgenootschap sloot met koning Karei X Gustaaf van Zweden tegen Polen en in 1657 met een leger van 60 000 man derwaarts trok, maar op den terugtocht door de Tartaren overrompeld werd en bijna al zijn troepen verloor. Hij had verder te strijden tegen verschillende mededingers, o. a. tegen Achatius Barcsai, die gedeeltelijk door de Turken werden ondersteund. Nadat hij door den sultan onttroond was (1660), kozen de Standen achtereenvolgens Rhédei, Barcsai en Kemény tot vorst, die zich echter niet konden handhaven. Daarop volgde Michaël Apafi (1661—1690), onder wien het land zijri ondergang tegemoet ging. Toen de Turken Ofen hadden moeten afstaan en uit Hongarije waren verdreven, zoodat Zevenburgen de Turksche hulp moest ontberen, kon het zich niet langer staande houden. Na het verdrag van Blasendorf (1687) werd het door keizerlijke troepen bezet. Later herkreeg Zevenburgen een zekere mate van zelfstandigheid, toen, tengevolge van de overwinningen van Thököly, die door de Standen tot vorst was gekozen, Leopold 1 in 1691 bij het Diploma Leopoldinum de grondwet en de vrijheden van de inwoners erkende. Het land werd echter niet weder bij Hongarije ingelijfd, doch als een zelfstandig kroonland onder het gezag van het Gubernium, later van de Zevenburger Hofkanselarij, geplaatst. De zoon van Apafi, Michaël 11, die tot vorst was verkozen, doch alleen XVI

in naam heerschte, deed in 1697 afstand van zijn waardigheid. In 1703 huldigde een deel van de inwoners Frans Rakoczi II, zij werden echter reeds in 1708 door generaal Rabutin onderworpen. Maria Theresia verhief in 1765 Zevenburgen tot een grootvorstendom. Toen keizer Jozef de verschillende privileges van de Zevenburgers ophief, kwamen de boeren van Walachijé onder aanvoering van Hora en Kloska in opstand tegen den adel. Eerst tegen het einde van 1784 kon men dien dempen, nadat 264 adellijke kasteelen waren in de asch gelegd. De nationale en liberale beweging, die zich sedert 1825 in Hongarije openbaarde, vond weerklank in Zevenburgen. De Magyaren en de Székler wenschtende vereeniging met Hongarije, aan hun hoofd stond Nikolaus Wesselényi. De Saksers daarentegen wenschten deze vereeniging niet. In 1848 besloot de Landdag te Klausenburg tot de unie met Hongarije. Toen echter de Roemenen onder aanvoering van bisschop Sjagoena niet konden bewerken, dat zij naast de Magyaren, de Székler en de Saksers als een vierde natie werden erkend, ontstond een oorlog tusschen de verschillende rassen, die nieuw voedsel kreeg, toen generaal Puchner op grond van het keizerlijk schrijven van den 3a™ October 1848 aan het Hongaarsche ministerie Batthyani de gehoorzaamheid opzegde. De Walachen grepen onder aanvoering van den advocaat Jankoe naar de wapens, om de keizerlijke troepen te ondersteunen tegen de Magyaren en reeds tegen het einde van 1848 was bijna geheel Zevenburgen door Puchner en den aanvoerder Urhan weder onderworpen aan de Oostenrijksche heerschappij. Doch Bern wist het grootste gedeelte van het land ten behoeve van de Hongaren te veroveren, ook tegen de Russische hulptroepen, die in Februari 1849 een inval deden in Zevenburgen, wist Bem zich aanvankelijk staande te houden. Tenslotte moest hij zich echter voor de overmacht naar het Banaat terugtrekken. Door de Rijksgrondwet van ien 4den Maart 1849 werd Zevenburgen van Hongarije gescheiden en in de rij der overige Kroonanden geplaatst. In het laatst van 1849 verloor het ;chter'door de opheffing van de grondwet het historisch autonoom bestuur van de 3 naties. De mili;aire grenzen van Zevenburgen werden in 1851 opgeheven, de regimentsdistrikten werden onder een )urgerlijk bestuur geplaatst. Door het Patent van len 208ten October 1860 werd de voormalige constitutie benevens de Hofkanselarij weder ingesteld, n 1863 kwam de Landdag, volgens een nieuwe wet rekozen, te Hermannstadt bijeen en nam het beluit, de Februariconstitutie aan te nemen en afge'aardigden naar den Oostenrijkschen Rijksdag te enden. Onder Belcredi echter werd in 1865 de oude :ieswet weder ingevoerd, zoodat de Magyaren en izékler op den Landdag de meerderheid kregen, lie nu in 1866 de vereeniging met Hongarije goed:eurden. Deze werd dan ook door een koninklijk chrijven van den 17flen Februari 1867 tot stand ebracht, de Zevenburgsche Hofkanselarij werd pgeheven en de Landdag ontbonden. Zevenburgen rerd een Hongaarsche provincie en wordt sedert ien tijd op den Iiongaarschen Rijksdag door 75 echtstreeks gekozen afgevaardigden vertegenwoorigd. Den l»ton Januari 1868 werd ook het gerechtsof te Klausenburg opgeheven. Het land werd in 15 omitaten verdeeld, de voorrechten, die de Saksers i het zoogenaamde Fundus regius in het Z. van Ze-

29

Sluiten