Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Lausitz, studeerde te Halle in de godgeleerdheid en gaf vervolgens gehoor aan een uitnoodiging van Friedrich IV, koning van Denemarken, om als zendeling naar Indië te vertrekken, alwaar hij in 1706 de volksplanting te Tranquebar bereikte. In 1714 begaf hij zich naar Engeland en reisde vanhier in 1716 onder de bescherming der Oost-Indische Compagnie naar Madras. Later bezocht hij op nieuw Tranquebar en overleed aldaar den 23sten Februari 1719. Van zijn geschriften vermelden wij: „Grammatica tamulica" (1716), „Biblia tamulica" (1723) en „Ausführliche Missionsberichte" (1710 enz.), die tot 1770 onder zijn naam voortgezet werden.

Ziegenbein. Johann Wilhelm Heinrich, een Duitsch onderwijskundige en schrijver, geboren te Bronswijk in 1766, ontving zijn opleiding aan het Carolinum aldaar, en legde zich naast de theologie toe op de paedagogiek. Nadat hij eenigen tijd aan scholen te Wansbeck en te Hamburg was werkzaam geweest, werd hij predikant te Bronswijk en tevens leeraar aan de Catharinaschool aldaar, in 1803 werd hij superintendent van het vorstendom Blankenburg. Hij leverde toen zijn: „Lesebuch der christlichen Glaubens- und Tugendlehre für die gebildete weibliche Jugend" (1812, 2de druk, 1821). Zijn echtgenoote stichtte een meisjesschool te Bronswijk. Toen hij tot lid van het consistorie te Wolfenbüttel was benoemd, werd hij predikant te Salzdahlen, maar verwisselde weldra deze betrekking met de directie der weeshuisschool te Bronswijk, waar hij tevens weder godsdienstleeraar werd aan het Carolinum. In 1821 werd hij benoemd tot abt van Michaelstein. Hij overleed in 1824. Van zijn overige geschriften noemen wij: „Die kleine Bibel" (1821, 9d<? druk, 1839), „Biblisches Lesebuch" (2 dln., 1823—1824, 2de druk, 1832—1845) en „Historisch-padagogische Blicke auf dem Taubstummenunterricht" (1824).

Ziegenhagen. Friedrich Wilhelm, een Duitsch godgeleerde, geboren in 1693, werd eerste koninklijk Hofprediker aan de Duitsche Hofkapel te Londen en maakte zich vooral verdienstelijk door het bevorderen van het zendingswerk in Oost- en West-Indië. Hij overleed te Londen in 1776. Van zijn geschriften noemen wij: „Der rechte und bestandige Gebrauch des Glaubens an Jesus" (1750), „Kurzer Unterricht von dem Leiden und Sterben des Erlösers" (1776), „Paraphrasik über einige wichtige Stücke aus dem Evangelisten Matthaus" (1776) en „Betrachtungen über das Leiden und die Auferstehung Christi" (1776).

Ziegenhagen, F ram Heinrich, een Duitsch opvoedkundige, geboren in 1753, was eerst koopman te Hamburg, maar richtte in 1790 in de nabijheid van de stad een opvoedingsgesticht op, waar hij zijn kweekelingen als natuurmenschen volgens zijn eigene beginselen wilde ontwikkelen. Men vindt die beginselen ontwikkeld in zijn geschrift: „Lehre vom richtigen Verhaltnisse in den Schöpfungswerken und die durch öffentliche Erziehung allein zu bewirkende allgemeine Menschenbeglückung" (1792, 2ae druk, 1799). Hij overleed in het Steinthal bij Straatsburg in 1806.

Ziegenhain. een voormalig Duitsch graafschap, was sedert de 12de eeuw in het bezit van een tak van het grafelijk geslacht Von Reichenbach, die tevens belast was met de beschermvoogdij over het klooster Fulda. Het werd in 1437 een Hessisch leen¬

goed en kwam in 1450, na het uitsterven van dit geslacht aan Hessen, dat echter eerst in 1495 na een proces met de graven van Hohenbhe zijn aanspraken erkend zag. Bij de verdeeling van Hessen werd het toegevoegd aan Hessen-Kassei, in 1866 kwam het in het bezit van Pruisen. Thans vormt het een arrondissement van het Pruisisch distrikt Kassei en telt op 585 v. km. (1905) 34 472 inwoners.

De hoofdstad Ziegenhain ligt aan de Schwalm en aan een spoorweg, 210 m. boven den zeespiegel. Zij bestaat uit de zoogenaamde vesting en de voorstad Weichhaus, bezit een Protestantsche en een Katholieke kerk, een synagoge, een groot slot, dat thans als strafinrichting voor mannen wordt gebruikt, een tuchthuis voor vrouwen, een rechtbank en (1905) 1707 inwoners. Er is eenige nijverheid.

Ziegenhals. een stad in de Pruisische provincie Silezië, in het distrikt Oppeln en in het arrondissement Neisse, ligt in de nabijheid van de Oostenrijksche grenzen, op den rechter oever van de Freiwaldauer Biele en aan eenige spoorwegen, 275 m. boven den zeespiegel. Men heeft er een R. Katholieke en een Protestantsche kerk, een R. Katholieke kweekschool voor onderwijzers, een voorbereidende school, een rechtbank, een Oostenrijksch douanestation en een Pruisisch bijkantoor van de douane. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 8 673. Er wordt veel nijverheid uitgeoefend. In de nabijheid ligt de Halzberg met een fraai uitzicht. Ziegenhals wordt in den zomer veel door vreemdelingen bezocht.

Ziegler, Friedrich Wilhelm, een Duitsch tooneelspeler en tooneeldichter, geboren te Bronswijk in 1769, kwam op jeugdigen leeftijd te Weenen en trok de aandacht van keizer Jozef II, die voor zijn verdere opleiding zorgde. Daarna bleef Ziegler meer dan veertig jaren verbonden aan den Hofscliouwburg te Weenen. In het laatst van zijn leven bekleedde hij de betrekking van consulent in schouwburgzaken. Hij overleed te Weenen den 21sten September 1827. Hij schreef een groot aantal tooneelspelen, historische drama's, blijspelen enz.Hetmeest bekend zijn het tooneelspel: ,,Parteiwut"(1817) en de blijspelen: „Der Hausdoktor"(1798), „Liebhaber und Nebenbuhler in einer Person" en „Die vier Temperamente"(1823). Zijn „Samtliche dramatische Werke" zijn in 1829 in 13 deelen in het licht verschenen.

Zieg-ler, Jacob Melchior, een Zwitsersch aardrijkskundige, geboren den 27sten November 1801 te Winterthur, studeerde te Genève en te Parijs in de wis- en natuurkunde, nam in 1824 de leiding op zich van de handelszaak, door zijn vader gesticht, en was van 1828—1834 leeraar in de wiskunde te Winterthur. In 1834 benoemd tot inspecteur van het boschwezen, mat hij met zijn leerling Wurster de groote bosschen omWinterthur op en richtte in 1842 met dezen de lithografische inrichting „Wurster & Co" op, waarvan hij tot 1873 deel uitmaakte, nadat in 1863 de kartograaf Randegger in de firma was opgenomen. Van de talrijke kaarten gedeeltelijk naar opnamen van Ziegler zelf, door deze firma uitgegeven en die in technisch opzicht vooral door de bergteekening uitmunten, noemen wij: „Topographische Karte der Kantone St. Gallen und Appenzell" (16 bladen, 1849—1852), „Atlas über alle Teile der Erde nach Karl Ritters Lehre" (2de druk, 1894), „Hypsometrischer Atlas mit Erlauterungen und

Sluiten