Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een betrekkelijke gezondheid (intermitteerende ziekten). Een regelmatig ziekteverloop wordt dikwijls onderbroken door een plotselinge verergering (exacerbatie), door een uitbreiding van het ziekteproces over gezonde deelen of door een plotselingen terugkeer {recidive), die in den tijd van de genezing of reconvalescentie of later optreedt. Het einde van een ziekte is öf de dood, öf een volledig, öf een gedeeltelijk herstel. Soms ontstaat een plotselinge wending ten goede of ten kwade (crisis) in andere gevallen gaat een acute ziekte over in een chronische. Een ziekte kan de ontvankelijkheid voor andere ziekten bevorderen. Tegenover de sporadische ziektegevallen, die slechts hier en daar optreden, staat de epidemie, die gelijktijdig een groot aantal personen in dezelfde streek aantast. Ziekten, die in bepaalde streken bijna voortdurend heerschen, heeten endemisch. Exogeen noemt men de gevallen, die tengevolge van een uitwendig werkende oorzaak ontstaan, endogeen zulke, waarbij een aangeboren of later ontstane zwakte van sommige organen of levensverrichtingen de oorzaak is.

De oudere geneeskunde beschouwde de ziekte als iets, dat aan het organisme vreemd was en van buiten af daarin werd gebracht. Later zocht men haar oorsprong in de sappen (humores) van het lichaam, vooral in het bloed (humoraalpathologie), of in zijn vaste stoffen (solida), vooral in de zenuwen (solidarpathologie). De strijd tusschen beide richtingen duurde tot het midden van de 19de eeuw, toen Virchow tot het resultaat kwam, dat de oorzaak van de ziekteverschijnselen in de cellen te zoeken was (cellulairpathologie). Volgens zijn leer bestaat het wezen van ziekte in de storing van den normalen toestand van de weefselcellen en van de gestoorde wisselwerking van deze cellen onderling. De storing heeft óf betrekking op de functie, öf op de voeding van de cellen, óf op beide. De functie en de voeding kunnen op een ziekelijke wijze vermeerderd of verminderd worden. Als oorzaak van deze verschijnselen komen in de eerste plaats de op het organisme inwerkende schadelijke prikkels in aanmerking, die Virchow in mechanische, chemische, electrische en thermische onderscheidt. De ervaring leert, dat dezelfde prikkel bij het eene individu wel, bij het andere geen ziekte veroorzaakt, of ook dat dezelfde persoon onder dezelfde omstandigheden soms wel, soms niet den invloed van zulk een prikkel ondervindt; er moeten dus nog andere oorzaken zijn, die invloed hebben op het ontstaan van een ziekte. Deze oorzaken tezamen noemt men de vatbaarheid, aanleg of dispositie voor een ziekte, die bij de verschillende individuen en onder verschillende omstandigheden zeer ongelijk is.

De wetenschap, die zich met de oorzaken van de ziekten bezighoudt, noemt men aetiologie. Zij maakt verschil tusschen ziekten, die het kind bij de geboorte medebrengt, zulke, waarvan het den aanleg mee in zich omdraagt, en zulke, die door toevallige oorzaken ontstaan. Omtrent het ontstaan van de , ziekten is nog weinig bekend, zooals blijkt uit de omstandigheid, dat eenzelfde oorzaak (bijv. kou- : vatten, nat worden, het gebruik van sommige spij- : zen) als de aanleiding tot de meest verschillende ziekten wordt beschouwd. Zulke omstandigheden ] kunnen in sommige gevallen de aanleiding zijn, dat ] de ziekte, die door aangeboren eigenaardigheden < van het organisme en een samenIoop,,van omstan- j

digheden reeds voorbereid was, uitbreekt (gelegenheidsoorzaken). Zulke gelegenheidsoorzaken doen dikwijls een voorbijgaande, tijdelijke vatbaarheid ontstaan, die vooral bij infectiezieken een groote rol speelt. Zoo heeft de ervaring geleerd, dat overspanning en slechte voeding de vatbaarheid voor een ziekte bevorderen. Door bepaalde omstandigheden kan de dispositie verminderd worden ; zoo kan het doorstaan van sommige ziekten voor het lichaam onvatbaarheid (immuniteit) teweeg brengen.

De veranderingen, die het zieke lichaam ondergaat, blijken uit de symptomen of verschijnselen, die deels door den zieke zelf waargenomen worden, zooals pijn, drukking, benauwdheid enz. (subjectieve symptonen), deels ook door anderen waargenomen kunnen worden, zooals koorts, percussie- en auscultatieverschijnselen enz. (objectieve s y m p t o n e n). Het verslag van het ziekteverloop vóór de komst van den geneesheer noemt men anamnese; de geneeskundige stelt daarna de verschijnselen vast door het onderzoek van den zieke. In den laatsten tijd is men door verschillende uitvindingen, zooals de percussie, de auscultatie, sommige spiegels en toestellen tot verlichting, door het gebruik van den thermometer, door chemische . en mikroskopische onderzoekingen van ziektestoffen enz. in staat het onderzoek veel nauwkeuriger te verrichten dan vroeger het geval was. Op grond van het onderzoek maakt de geneeskundige de diagnose, op, die hem de maatregelen tot bestrijding van de ziekte (therapie) aan de hand doet en hem in staat stelt zich een oordeel te vormen over het vermoedelijke verloop en den afloop van de ziekte (prognose). Wanneer de patiënt sterft, kan men door de lijkopening (sectie, autopsie) de juistheid van de diagnose en de therapie controleeren. Behalve het genezen van de ziekten, behoort het ook tot de taak van den geneesheer de ziekten te voorkomen (prophylaxis). De prophylaxis is gebaseerd op de gezondheidsleer (zie aldaar).

Ziektekunde of Ziekteleer (Pathologie) berust op de studie van de anatomische veranderingen,die de organen onder abnormale omstandigheden ondergaan (pathologische anatomie), en op die van ie natuur- en scheikundige veranderingen, welke in het zieke lichaam plaats hebben (pathologische ohysiologie, pathologische chemie, pathologische phyiica). Bijzondere of speciale ziektekunde noemt men Ie leer van de ziekteverschijnselen van de afzonderijke organen, vooral van de inwendige, en van de veranderingen die zij moeten ondergaan om weer ;ot den normalen toestand terug te keeren. Deze tennis wordt verkregen door secties en door mitroskopische onderzoekingen van de aangetaste veefsels. Tot de speciale pathologie behooren de tpeciale aetiologie (de leer van de oorzaken van de ;iekten), de speciale pathogenese (het ontstaan van le ziekten), de speciale pathologische anatomie, de peciale symptomatologie (ziekteverschijnselen) en le speciale therapie (ziektebehandeling). De algeueene pathologie houdt zich bezig met het onderdek van de wetten, volgens welke de verschillende 'erschijnselen van de speciale pathologie plaats heblen; zij behandelt de algemeene leer van de oorza:en der ziekten, storingen in den bloedsomloop en ie voeding van de weefsels, ontstekingen, gezwellen, lisvormingen, afwijkingen tengevolge van parasi-

Sluiten