Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaatst. Later vestigde hij zich te Berlijn. Hij schreef: „Blüte und Verfall des Leinengewerbes in Schlesien ' (2dc druk, 1892), „Geschichte derpreuszischdeutschen Handelspolitik" (1892), „Kolonialgeschichtliche Studiën" (1894), „Die europaischen Koloniën" (dl. 1 „Die Kolonialpolitik Portugals und Spaniens", 1896; dl. 2 en 3 „Die Kolonialpolitik Groszbritanniens",1898—1899; dl. 4, „Die Kolonialpolitik Frankreichs", 1901; dl. 5, „Die Kolonialpolitik der Niederlander", 1903), „Die deutsche Kolonialgesetzgebung 1893—1900" (1898—1905, als 2de en :>'u' deel van het door Riebow in 1893 begonnen werk), „Weltpolitisches" (1901), „Die Handelspolitik des Deutschen Reiches vom Frankfurter Frieden bis zur Gegenwart" (1901) en „Kolonialpolitik" (2ie druk, 1905).

Zimmern, Helen, een Engelsch schrijfster, geboren te Hamburg den 25slen Maart 1846, ontving haar opvoeding in Engeland, waarheen zij in 1850 vertrok. Zij schreef vertellingen, zooals „Stories in precious stones" (1873) en „Told bij the ways" (1874), met haar zuster Alice een aantal vertalingen, n. 1. „Halfhours with French novellists" (2 dln., 1881) en „Stories from foreign novellists" (2dc dmk, 1885) en verder „Schopenhauer, his life and philosophy" (1876), „G. E. Lessing, his life and his works (1878), „Maria Edgeworth" (1883), „Sir Lawrence Alma Tadema" (1902) en „The Hansa towns" (in „Story of the nations", 1889). Zij is medewerkster aan een aantal tijdschriften.

Zimmern, Heinrich, een Duitsch assyrioloog en taalgeleerde, geboren den 14de>> Juli 1862 te Graben bij Karlsruhe, studeerde te Leipzig, Berlijn,Erlangen en Straatsburg in de Protestantsche godgeleerdheid en de Semitische talen, vestigde zich in 1889 als privaatdocent te Koningsbergen en in 1890 te Halle, werd in 1894 buitengewoon hoogleeraar te Leipzigen in 1899 teBreslau, vanwaar hij in 1900 als gewoon hoogleeraar naar Leipzig terugkeerde. Zijn voornaamste werken zijn: „Babylonische Buszpsalmen" (1885), „Beitrage zur Kenntnis der babylonischen Religion" (1896—1901), „Vergleichende Grammatik der semitischen Sprachen" (1898), terwijl hij met H. Winckler een nieuwe bewerking van Schradcr's „Die Keilinschriften und das alte Testament" (3de druk, 1903) leverde. Aan den strijd over Babel-Bijbel, welke voor eenige jaren ontbrandde, nam hij deel door de publicatie van de oriënteerende geschriften: „Keilinschriften und Bibel nach ihrem religionsgeschichtlichen Zusammenhang" (1903) en „Zum Streit um die „Christus-mythe" "(1910). Met A. Fischer geeft hij de „Leipziger semitische Studiën" (1903 en later) uit.

Zin (Sensus) noemt men het vermogen om gewaarwordingen te ontvangen. Deze gewaarwordingen hebben betrekking op de buitenwereld (objectieve of uitwendige zin), of op zekere toestanden van het lichaam zelf (inwendige zin). Van oudsher heeft men 5 zinnen aangenomen, n. 1. het gezicht, het gehoor, den reuk, den smaak enhetgevoel.Dehoogere dieren bezitten voor eiken zin een afzonderlijk orgaan, zintuig geheeten. Sommigen onderscheiden meer dan 5 zinnen, daar de huid, het zintuig van het gevoel, behalve voor het tast- en drukgevoel, ook ontvankelijk is voor het gevoel van koude en warmte, terwijl verder het pijngevoel als een afzonderlijke zin kan worden beschouwd. Volgens hen behoort tot elk van deze zinnen een afzonderlijk

zintuig, bestaande uit een bijzondere inrichting van de zenuwen. De statische zin, waarvan het eindorgaan in de halfcirkelvormige kanalen van het oor ligt, maakt de waarneming van de houding van het hoofd en daarmede de oriënteering in de ruimte mogelijk. Het ontvangen van gewaarwordingen is aan 3 voorwaarden gebonden, namelijk aan een objectieve oorzaak van het gevoel, aan de prikkeling van de zenuwen van het zintuig en aan de bewuste gewaarwording van den veranderden toestand van de zenuwen. Men onderscheidt homologe of adaequate en heterologe prikkels. Het zintuig is speciaal ingericht voor de eerste soort prikkels en de betrokken zenuw is aan het peripherisch uiteinde door bijzondere inrichtingen daardoor bij uitnemendheid vatbaar. Zulke prikkels zijn het licht voor het oog en het geluid voor het oor. Heterologe prikkels noemt men alle overige, die eenig gevoel kunnen veroorzaken, bijv. die van de electrische vonk op het netvlies van het oog. De door heterologe prikkels veroorzaakte gewaarwordingen komen overeen met die, welke door homologe prikkels ontstaan. Met het opwekken van objectieve gewaarwordingen zijn uitwendige (homologe of heterologe) prikkels noodig, subjectieve gewaarwordingen ontstaan door inwendige, in het lichaam zelf aanwezige prikkels, die werken op de gevoelszenuw of op een bepaald gedeelte der hersenen. Beide soorten van gewaarwordingen zijn moeielijk te onderscheiden. De gezichtszenuw bijv. kan door inwendige prikkels (bloedaandrang enz.) geen andere gewaarwordingen veroorzaken dan die vun licht en kleur. Hoewel de gewaarwording niets anders is dan een bewuste waarneming van verandering in de zintuigen, verplaatsen wij toch, door de ervaring geleerd, het waargenomene buiten ons en beschouwen zelfs den waargenomen toestand der zintuigen als een objectieve eigenschap van het buiten ons aanwezige voorwerp. De gewaarwordingen van het gezicht en het gehoor zijn het meest objectief. Wij verplaatsen deze geheel en al buiten ons lichaam, zoodat de voorstelling van een veranderden toestand van het zintuig ons in het minst niet bewust is. Minder objectief zijn de gewaarwordingen van ons uitwendig gevoel. Ook een waargenomen drukking verplaatsen wij naar de plek, waar de oorzaak der drukking zich bevindt, deze plaats is echter het peripherisch uiteinde van de zenuw zelf. Daardoor brengen wij de gevoelsgewaarwordingen zoowel in verband met een bepaalde plek van ons lichaam, als met de uitwendige dingen zelf, doch zoodanig, dat hierbij deze laatste het overwicht behouden. Nog minder objectief zijn de gewaarwordingen van de temperatuur, van den reuk en van den smaak. Bij deze zijn wij ons het meest van den veranderden toestand van het zintuig bewust.

Daar objectief-verschillende prikkels, die dezelfde zintuigzenuw treffen, gelijke gewaarwordingen kunnen doen ontstaan, terwijl omgekeerd dezelfde prikkel, op verschillende zintuigzenuwen werkende, verschillende gewaarwordingen kan veroorzaken, kent men aan elke zintuigzenuw een eigenaardig vermogen (specifieke energie) toe, dat wij niet uit de gesteldheid van den zenuw zelf kunnen verklaren, maar dat waarschijnlijk afhankelijk is van het centrale zenuwtoestel van het zintuig.

Ieder zintuig verschaft ons onderscheiden gewaarwordingen, met het gezicht nemen bijv. ver-

Sluiten