Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een van de dochters van den priester Jethro uit Midjan. Zij huwde met Mozes en werd de moeder van Gersorn en Eliasar.

Zips, Hongaarsch Szepes, een comitaat in Hongarije in het distrikt aan deze zijde van de Tlieisz, grenst aan Galicië en aan de comitaten Liptau, Gömör, Abauj-Torna en Saros, beslaat een oppervlakte van 3 668 v. km. en telt (1901) 172 091 inwoners. Het land is zeer bergachtig, men vindt er de Hooge Tatra, de Zipzer Magura en de Lage Tatra. De voornaamste rivieren zijn de Poprad, die in de Weichsel, en de Hernad, die in de Theisz uitmondt. Het klimaat is guur. Tot de voornaamste voortbrengselen behooren: gerst, haver, peulvruchten, vlas, hop en hout, in de zuidelijke gewesten ook ooft. Verder heeft men er runderen, schapen en veel wild; zelfs komen er beren en wolven voor. De voornaamste delfstoffen zijn goud, koper en ijzer. De inwoners zijn gedeeltelijk Slowaken, gedeeltelijk Duitschers, Roetheenen en Magyaren; zij belijden den RoomschKatholieken, den Protestantschen of den GriekschKatholieken godsdienst. De voornaamste bronnen van bestaan zijn landbouw, mijnontginning, veeteelt, linnenweverij, pottebakkerij, looierij en eenige handel. Het comitaat ontleent zijn naam aan het Zipser slot bij Kirchdrauf. De hoofdplaats is Leutschau. In 1876 werd Zips met de 16 Zipser steden vereenigd. Deze Zipser steden, oorspronkelijk 24 in getal, waren in de 12dc en de 13de eeuw door Duitsche kolonisten gesticht en ontvingen weldra bijzondere rechten. Van de 16, later tot het kroondistrikt der Zipser steden behoorende plaatsen, waren Leutschau, Kasmark en Iglau de voornaamste. Twaalf hiervan verpandde koning Sigismund in 1412 aan Polen, later kwamen zij gedeeltelijk aan de familie Lubomirski. Bij de eerste deeling van Polen (1772) werden zij door Maria Theresia bevrijd, en met 3 andere steden tot een zelfstandig kroondistrikt vereenigd. Na verschillende lotgevallen werden zij in 1876 bij het comitaat Zips ingelijfd.

Zipser, Christian Andreas, een Hongaarsch natuuronderzoeker, geboren den 258ten November 1783 te Raab in Hongarije, ontving zijn eerste opleiding te Pösing en Neusohl en studeerde vervolgens te Preszburg in de theologie. In 1803 werd hij leeraar aan de Protestantsche school te Brünn, waar hij zich vooral toelegde op de natuurlijke historie. Na verloop van vijf jaren werd hij leeraar aan een hoogere burgerschool voor meisjes te Neusohl. Daarna bepaalde hij zich hoofdzakelijk bij de geologie, en bracht verzamelingen bijeen, die hij ter beschikking stelde van het pubhek. Hij schreef een: „Versuch eines topographisch-mineralogischen Handbuchs von Ungarn" (1817). Zijn veelvuldige reizen, vooral ook door Polen en Pruisen, overtuigden hem van de noodzakelijkheid eener mededeeling van denkbeelden over geologie en eener ruiling van gesteenten, die hij beide op zoodanige schaal tot stand wist te brengen, dat zij zich tot de meeste Europeesche landen en zelfs tot Noord- en Zuid-Amerika uitstrekten. Later leverde hij nog: „Ueber die Situation in Ungarn" (1834).

Zipser steden. Zie Zips.

Zirkel, Ferdinand, een Duitscli delfstofkundige, geboren den 20sten Mei 1838 te Bonn, studeerde aldaar, ondernam in 1860 met W. Preyer een geologische reis naar IJsland, werd vervolgens geplaatst aan het „Hofmineralienkabinet" en aan de rijksin¬

richting voor geologie te Weenen en ontving in 1863 een benoeming tot hoogleeraar te Lemberg, in 1868 te Kiel en in 1870 te Leipzig. Hij volbracht wetenschappelijke reizen in Schotland, de Pyreneeën en Rusland, in 1874 deed hij een dergelijke reis naar Noord-Amerika, van 1894—1895 naar Ceylon en Indië. In een groot aantal verhandelingen gaf hij verslag van zijn mikroskopisch onderzoek der gesteenten. Van zijn geschriften vermelden wij: „Reisenach Islancjim Sommer 1860" (met Preyer, 1862), „Lehrbuch der Petrographie" (2 dln., 1866), „Die mikroskopische Struktur und Zusammensetzung der Basaltgesteine" (1869), „Die mikroskopische Beschaffenheit der Mineralièn und Gesteine" (1873), „Microscopical petrography" (1876) en „Über Urausscheidungen in rheinischen Basalten" (1903). Na den dood van Naumann werd hem de uitgave van de nieuwe drukken van diens „Elemente der Mineralogie" (15a<= druk, 1907) opgedragen. In 1909 nam hij zijn ontslag en vestigde zich te Bonn.

Zirknitzer Meer. Zie Czirknitser Meer.

Zirkonium, atoomteeken Zr, atoomgewicht 90,6, een zelden voorkomend, vierwaardig metalliek element, wordt als kiezelzuur zout aangetroffen in zirkoon en in eenige andere, zeldzame mineralen. Het wordt uit kaliumzirkoniumfluoried door kalium, uit zirkoniumchlorieddamp door gloeiend natrium amorf en uit het eerste bij de smelthitte van ijzer door aluminium kristallijn afgescheiden. Kristallijn is het sterk glanzend, hard en broos. Alsdan gelijkt het op antimonium, en heeft het een soortelijk gewicht van 4,25. Het verbrandt alleen in de knalgasvlam, wordt door zuren weinig aangetast, maar lost zeer gemakkelijk op in fluorwaterstofzuur.

Zirkoniumoxied (Zirkoonaarde, Zirkoonzuur, ZrO., ontstaat bij het verhitten van amorf zirkonium aan de lucht. Het is kleurloos, amorf of kristallijn, lost slechts op in geconcentreerd zwavelzuur en fluoorwaterstofzuur, ontwikkelt bij smelting met koolzure natrion koolzuur en schittert, in knalgas, verhit, met een helder licht, zoodat men het voor spitsen bij het Drammondsch licht, voor gloeilichaam in electrische gloeilampen, alsmede voor vuurvast materiaal gebruikt.

Zirkoniumhydroxied Zr (0H)4, wordt uit oplossingen van zirkoniumzouten door ammoniak neergeslagen en is kleurloos, in gedroogden toestand geelachtig, levert bij verwarming een oxied en vormt met zuren zirkoniumzouten, maar verbindt zich eveneens met basen onder vorming van zirkonaten. De zouten zijn kleurloos, hebben een sterk samentrekkenden, zuren smaak en worden bij verhitting ontleed, wanneer het zuur vluchtig is.

Zirkoniumchloried (ZrCl4) ontstaat bij het verhitten van zirkoon of zirkoniumoxied met koolstof in een chloorstroom. Het vormt een witte massa, die onder sterke verwarming oplost in water.

Zirkoon, een mineraal, bestaande uit zirkonium en kiezelzuuranhydried (ZrO, + Si02), vormt tetragonale, meestal zuilvormige kristallen, hoewel het op secundaire ligplaatsen ook wel in korrels gevonden wordt. Het is zelden kleurloos en waterhelder, meestal hyacinthrood of bruinachtig, somtijds wit, geel of groen en glasglanzend. Zijn hardheid bedraagt 7,5, zijn soortelijk gewicht 4,5—4,7. Zirkoon komt als bestanddeel van zirkoonsyeniet voor in Noorwegen in het graniet van Haddam (Connec-

Sluiten