Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is omgeven door de" halfschaduw H. Voor alle punten in deze halfschaduw is de verduistering gedeeltelijk of partieel (fig. 2). Bevindt zich verder de waarnemer op de lijn welke de middelpunten van zon en maan verbindt, dan is voor hem de verduistering centraal. Daarbij kan hij dan nog binnen de kernschaduw (fig. 3) of binnen de halfschaduw (fig 4) zijn. In het eerste geval schijnt de maan grooter dan de zon en is de verduistering totaal, in het andere schijnt zij kleiner dan de zon en is de verduistering ringvormig. Elke totale zonsverduistering begint en eindigt met een gedeeltelijke. Noemt een verduistering kortweg partieel, dan beteekent dit, dat ook ten tijde van de grootste bedekking ter plaatse nog een gedeelte van de zonneschijf zichtbaar blijft. De plaatsen, welke een totale verduistering hebben, liggen op de smalle strook, door de kernschaduw over de aarde beschreven, welke zone van totaliteit

Fig. 2.

Fig. 3.

Fig. 4.

Partiëele zonsverduistering.

Totale zonsverduistering.

Ringvormige

zonsverduistering.

heet. Aan den aequator kan zij niet meer dan ongeveer 200 km. breed zijn. De langste duur van een totale zonsverduistering voor een bepaalde plaats en wel aan den aequator bedraagt nog geen 8 minuten en voor de geheele aarde 4 uur en 38 minuten. Ten O. en W. van de zone van totalitiet liggen de strooken, welke een partieele verduistering hebben; deze is des te onbeduidender naarmate zij meer naar de buitenkant liggen. Onmiddellijk voor en na de totale verduistering vertoont zich de zon als een smalle sikkel, die evenwel geen halven cirkel beslaat. De bergen en dalen aan den rand der maan zijn dan reeds bij een matige vergrooting zeer goed zichtbaar. Gedurende de totale verduistering ontstaat een eigenaardige donkerheid,waarbij de hemel eengroenachtig-blauwe kleur verkrijgt, terwijl eenige der helderste sterren zichtbaar worden. De donkere maanschijf is door een helderen, zilverwitten lichtkrans, de corona omgeven, van waaruit zich witte stralen verspreiden. Ook ontdekt men aan den rand

van de maan de~*zoogenaamde protuberanzen (zie Zon). Bij partieele zonsverduisteringen worden geen merkwaardige verschijnselen opgemerkt; eerst dan, wanneer meer dan drie vierden der zonneschijf bedekt worden, bemerkt men een vermindering van het daglicht. Zonsverduisteringen komen, gerekend over de geheele aarde, vaker voor dan maansverduisteringen. In een tijdperk van 18 jaren en 11 dagen, de saros van de Chaldeeën, komen 29 maans- en daarentegen 4 zonsverduisteringen voor; voor een bepaalde plaats echter slechts 9, terwijl onder deze om de 200 jaar ongeveer een totale of ringvormige voorkomt. Van de eerstvolgende, totale zonsverduisteringen geeft onderstaande tabel een overzicht:

Totali-

Jaar. Datum. Zichtbaar in: teit in

minuten

1912 April 17 Portugal, Spanje 0,2 1912 October 10 Z.-Amerika 2,2 1914 Augustus 21 Scandinavië, Rusland, Azië 2,4 1916 Februari 3 Z.-Amerika, W.Indië 2,9

1918 Juni 8 N.-Amerika 2,6

1919 Mei 29 Z.-Amerika, Afrika 6,1

Fig. 1.

Zoöchlorellen en Zoöxanthellen zijn groen, resp. bruin of geel gekleurde, eencellige algen, welke met vele lagere dieren van het zoete en zoute water, zooals protozoën, coelenteraten en wormen, in symbiose leven. Hun bolvormig lichaam heeft een doorsnede van ongeveer 0,01 mm. Door opeenhooping van vele duizenden, geven zij aan het dierenlichaam, dat hen herbergt, dikwijls een intensieve kleur. Voor het dier zijn zij nuttig door de uitscheiding van zuurstof en de vorming van organische stoffen, terwijl dit hen omgekeerd beschermt en hun gepaste levensvoorwaarden schept.

Zoogdieren (Mammalia) is de naam van een klasse van grootendeels op het land levende, warmbloedige, gewervelde dieren. Zij vertegenwoordigen de hoogst ontwikkelde klasse der gewervelde dieren,

zijn met haar bedekt en brengen, met uitzondering van de cloaquedieren (zie aldaar), levende jongen ter wereld, die gedurende eenigen tijd met moedermelkworden gevoed. De algemeene lichaamsvorm is bij de meeste zoogdieren in overeenstemming met de wijze, waarop zij zich bewegen, meestal n.1. door middel van vier ledematen, die tot loopen zelden tot grijpwerktuigen zijn ingericht. Alleen bij de walvischachtigen eindigt de romp, waaraan achterste ledematen ontbreken, in een horizontale vin. De huid der zoogdieren bestaat uit een lederhuid van bind weefsel met vaten, zenuwen en ook wel met pigment, en uit een opperhuid van cellen, welke men in een weeke, pigmenthoudende slijm-

laag en een min of meer hoornachtige, hier en daar eeltachtig verdikte bovenlaag kan onderscheiden. Eigenaardig zijn bij de zoogdieren de haren, die

Einde der zenuw in een snorhaar van het varken.

Sluiten