Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meestal het geheele lichaam bedekken, doch bij de walvischachtigen alleen op de lippen aanwezig zijn. Op dezelfde plaats hebben vele zoogdieren lange en stijve haren (snorharen, fig. 1). Op het overig gedeelte van het lichaam zijn meestal twee soorten van haar voorhanden, namelijk zacht, kort, gekroesd, soms viltachtig wolhaar en lang, ruw en stekelig borstelhaar. Naar gelang van jaargetijden en klimaat verandert jaarlijks het haarkleed; vele zoogdieren hebben een winter- en zomerpels van zeer verschillende dikte, terwijl het haar soms ook van kleur verwisselt. Zeer stijve en dikke borstelharen noemt

ook wel daalt tot 70°, doch bij apen 60 tot 30° en bij de overige zoogdieren 25° of iets meer bedraagt. Tegenwoordig heeft men betere middelen voor de meting van den schedel. Aan de wervelkolom kan men, behalve bij de walvischachtigen, bij welke de bekkengordel wegvalt, vijf afdeelingen onderscheiden : hals-, borst- of rug-, lende-, heiligbeen- en staartwervels. Het aantal halswervels bedraagt meestal 7 (bij den lamantijn en den unau 6, bij andere luiaards 8 of 9), de lengte van den hals is bij de zoogdieren afhankelijk van de grootte der afzonderlijke wervels en niet het gevolg van een grooter aantal halswer-

Fig. 2.

Fig. 3.

Fig. 4.

Schedel van de lama, van boven gezien.

Schedel van de lama, terzijde gezien.

men stekels. Verder doet de opperhuid zoowel kleine hoornachtige schubben (bijv. aan den staart van knaagdieren en buideldieren), als groote, dakpansgewijs over elkander gelegen schubben, bijv. bij het schubdier, ontstaan. Bij de gordeldieren is de lederhuid verhard, en deze huidbeenderen vormen op dergelijke wijze als bij de eeDantserde visschen en kruipende dieren

naast elkander gelegen platen en in het midden van het lichaam breede verschuifbare beengordels. Aan de uiteinden der vingers en teenen hebben alle zoogdieren, behalve de walvischachtigen, hoornachtige bekleedingen van nagels, klauwen of hoeven. Tot de aanhangsels der opperhuid behooren ook de hoornige scheeden der holhoornige herkauwende dieren en de horens der neushoorndieren, terwijl het gewei der herten door een huidverbeening ontstaat. In de huid komen overal vet- en zweetklieren voor; buitendien hebben sommige dieren op bepaalde plaatsen, inzonderheid nabij den anus of in de lendenstreek, bijzondere klieren, die een sterk riekend vocht afscheiden.

Het geraamte der zoogdieren is beenig en zwaar en de holte der beenderen is met merg gevuld. De schedel (fig. 2—6) vormt in vergelijking met dien van vogels en kruipende dieren een aanmerkelijke holte; hij onderscheidt zich van dien van visschen en kruipende dieren door een kleiner aantal samenstellende beenderen. De schedelbeenderen zijn zelden volkomen met elkander vergroeid, de bovenkaak is onbewegelijk met het bovengedeelte verbonden en de beide helften van de onderkaak zijn vereenigd met de bovenkaak zonder tusschenlid. Door deze kenmerken en door het bezit van twee gewrichtsknobbels (condyli) voor de verbinding van het achterhoofdsbeen met den eersten halswervel onderscheiden zij zich van de vogels. Het aangezicht steekt in het algemeen te meer voor de hersenholte uit, naar gelang de verstandelijke vermogens van het dier geringer zijn. Men bepaalde vroeger de verhouding tusschen de ontwikkeling van den schedel en van het gelaat algemeen door den gelaatshoek van Camper, die bij de menschen nagenoeg recht is, maar

XVI

Schedel van den wolf, terzijde gezien.

veis. Meestal onderscheidt zich het halsgedeelte door een groote beweeglijkheid van de wervels, bij de walvisschen is het zeer kort en zijn de wervels vast aaneengegroeid. Het aantal rugwervels bedraagt meestal 13, daalt bij eenige vledermuizen en gordeldieren tot 12 en 10 en klimt bij het paard tot 18, bij den olifant tot 19—21 en bij den drievingerigen luiaard tot 23 en

24. Doorgaans zijn er 6 of 7 lendewervels, in enkele gevallen 2 of 9. Het heiligbeen ontstaat door een samengroeiïng van 3 tot 4, zelden van minder of meer wervels. Het aantal der naar het uiteinde allengs smaller wordende staartwervels wisselt af

Fig. 5.

Fig. 6.

Schedel van den wolf, van boven gezien.

Schedel van het ree.

tusschen 4 (bij den mensch) en 45 (bij het schubdier). De borstwervels dragen vrije, beweegbare, met de wervels verbonden ribben. Van de beide paren ledematen (fig. 7, 8,9,10) ontbreekt het voorste paaj; nooit, het achterste bij de walvisschen. Tot het schoudergewricht behoort steeds het schouderblad, terwijl de sleutelbeenderen dikwijls ontbreken,

33

Sluiten